Ruim 750 jaar geleden verhuisden de monniken van de Cisterciënzenorde hun abdij van Vremde naar Hemiksem. De eerste kloostergebouwen werden opgetrokken in 1244 aan de samenloop van Schelde en Vliet. Tien jaar later werd gestart met de bouw van de kerk. Voor de bouw van de abdijgebouwen richten de Bernardijnen zelf een steenbakkerij op in Hemiksem en men neemt aan dat zij dan ook de basis hebben gelegd voor de baksteennijverheid in de Rupelstreek. De abdij heeft een enorme symbolische waarde voor de streek en vormt één van de voornaamste kwaliteiten van de Rupelstreek.
De abdij kende een bewogen geschiedenis; woelige perioden van beeldenstorm, plundering en bezetting wisselden af met jaren van herstel en bloei. In 1797 werden de monniken een laatste keer uit hun abdij verdreven, deze keer door de Fransen. Hierop volgde de verkoop van de abdij. Omdat er geen kopers werden gevonden werd het Sint-Bernardusdomein een nationaal goed. Na afbraak van de kerk kreeg de abdij achtereenvolgens een bestemming als marinehospitaal, graandepot, correctionele gevangenis en legerdepot.Tijdens WO II werden de gebouwen gebruikt als “Feldbekleidungsamt der Luftwaffe”. Bij de bevrijding werd de abdij afgestaan aan het Ministerie van Justitie en diende ze tot 1948 als interneringskamp voor “incivieken”. Tot 1963 legerde er een genie-eenheid en het complex bleef tot 1977 opslagplaats voor het leger. Nadien werden de gebouwen ontruimd.
In 1985 werden de gronden eigendom van het Vlaamse gewest. Er werd een grote schoonmaak gehouden, waarbij 22 militaire gebouwen werden gesloopt en ongeveer 2,4 ha betonoppervlakte werden opgebroken. Het rechthoekige abdijcomplex en de gerestaureerde omheiningsmuur werden behouden. Het abdijgebouw werd in 1988 verkocht aan de gemeente Hemiksem.
De belangrijkste overblijvende relicten binnen de site van het park zijn het abdijgebouw, de ommuring, de poort en de kreek.De ommuring en de poort werden gerestaureerd eind de jaren ’80. Het abdijgebouw wordt in fasen gerestaureerd en is mee afhankelijk van het vinden van nieuwe bestemmingen voor een deel van het gebouw.
Naast de relicten zijn de zones ten oosten en ten westen van het gebouw het meest aangewezen om een weerspiegeling te geven van de cultuurhistorische waarden.
Tussen de abdij en de Schelde zijn een aantal industriegebouwen opgetrokken. Vanuit het standpunt van de abdij zijn dit storende elementen. Vooral de laatste hangar is visueel zeer storend, niet enkel door de staat waarin die zich bevindt maar vooral door zijn ligging, pal in het midden van de westelijke aslijn.
terug