In de middeleeuwen meanderde de Zenne in het gebied ten westen van Mechelen in een lage vallei. Het landschap bestond uit een afwisseling van broekbossen, moerassen en hooilanden. De natte gronden waren niet interessant voor landbouwgebruik.
Het Robbroek is nog slechts een fractie van deze uitgestrekte vochtige natuurgebieden in het Mechelse. Het vroegere moeras wordt ontwaterd met sloten en dwarssloten, de Zenne werd grotendeels rechtgetrokken en de dijken zijn opgehoogd. De waterhuishouding in het Robbroek en de rest van de vallei veranderde hierdoor drastisch. In de jaren 1950-1960 werd het Robbroek grotendeels ingeplant met populier. Vanaf de jaren 1990 werden deze gekapt.
De aanwezige flora weerspiegelt de typische soorten van het rivierenlandschap waaronder waterviolier en moeraswalstro. In de vochtige graslanden groeien echte koekoeksbloem, moerasvergeet-mij-nietje, dotterbloemen en orchideeën. Op de drogere zandgronden en rivierduinen vind je graslanden met veldbies en glad walstro.
Het Robbroek kent een grote variatie aan moeras- en rietvogels (wilde eend, wintertaling, waterhoen, sprinkhaanrietzanger, blauwborst) en roofvogels (buizerd, sperwer). Ook allerlei andere dieren voelen zich hier thuis, zoals groene en bruine kikker, gewone pad en kleine- en alpenwatersalamander, wezel en bunzing.
Op termijn willen we komen tot een open moeraslandschap, typisch voor een rivierdal. Het huidige beheer streeft in eerste instantie naar het behoud van de typische kenmerken van een vochtig gebied in de Zennevallei: moerasvegetaties, vochtige graslanden, elzenbosjes en open water. Begrazing met gallowayrunderen en konikpaarden houdt de verruiging van de graslanden en moerasvegetaties in de hand. Doordat de dieren niet alles even graag eten en niet overal komen, ontstaat er veel variatie in de begroeiing. Kortgegraasde plekken wisselen af met hogere en bloemrijkere vegetaties.