Terug naar overzicht
De waterbiotopen van Bastion VIII zijn uitermate geschikt voor een kwaliteitsbepaling van het water. Er zijn verschillende soorten van waterpartijen aanwezig: een vijver, een poel, een moeras en een beek (ook het regenwater en grondwater kan onderzocht worden). De kwaliteitsbepaling gebeurt zowel op biotische als abiotische wijze en op verschillende niveau's (van lager onderwijs tot hoger secundair onderwijs).
Ook voor het lager onderwijs is het mogelijk om in beperkte mate een abiotisch wateronderzoek uit te voeren. Hiervoor beperken we ons tot het bepalen van de temperatuur, de diepte, de pH, het nitraatgehalte, de geur en kleur en de helderheid van het water.Hoe deze proeven uitgevoerd worden, kan je nalezen in de omschrijving van de proeven bij het secundair onderwijs.
Tabel 1ste graad secundair onderwijs
Tabel 2de en 3de graad secundair onderwijs
Het biotisch wateronderzoek richt zich in Bastion VIII volledig op de macro-invertebraten (macro = zichtbaar met het blote oog, invertebraten = ongewervelden). We maken voor dit onderzoek gebruik van zeefjes, emmers, loupjes, lepeltjes en curverboxen. Al dit materiaal is aanwezig in het bezoekerscentrum. Naast dit materiaal gebruiken we ook nog determinatietabellen, aangepast aan de leeftijd, met daarin de in Bastion VIII meest voorkomende dieren. Hieronder vind je een lijst van deze dieren met wat extra uitleg.
Voedsel: Platwormen hebben een uitstulpbare slokdarm (farynx). Als ze een prooi vinden, scheiden ze verteringssappen op de prooi uit en de slokdarm wordt uitgestulpt. Nadien zuigen ze dan de vloeibaar geworden delen op. Het zijn vooral trage en zieke dieren die hun prooi vormen bv schaaldieren, insectenlarven en borstelwormen. Zelf dienen ze als voedsel voor grotere rovers. In geval droogte kunnen de wormen zich inkapselen en op deze manier kunnen ze jaren zonder voedsel overleven.Voortbeweging: Een glijdende beweging door samentreken en uitrekken.Ademhaling: Zuurstof wordt door de huid uit het water opgenomen. Lichaamsbouw: Het lichaam is sterk afgeplat, niet gesegmenteerd en tweezijdig symmetrisch opgebouwd. De lengte van de dieren varieert van 0,5 tot 4 cm. Het kopgedeelte is meestal nogal uitgesproken en bevat 2 of meer primitieve ogen of oogvlekken. Voortplanting: Platwormen zijn tweeslachtig, maar toch is kruisbevruchting nodig om eieren te kunnen ontwikkelen. De eieren worden gelegd in cocons die vrij in het water worden afgelegd, soms worden ze vastgemaakt aan stenen of planten. Het duurt enkele weken voor de eieren ontwikkelen tot kleine platwormen. In bepaalde gevallen kan er ook ongeslachtelijke voortplanting zijn door een overlangse splitsing in twee of kleine stukken (tot een duizendste deel!).
Voedsel: Bloedzuigers zijn rovers of meestal vrijlevende (ecto-)parasieten. Het voedsel bestaat uit lichaamsvocht, bloed of dierlijk weefsel van ongewervelden (de meeste soorten) of van gewervelden. Voortbeweging: Ze kunnen zwemmen, kruipen, zoeken, lopen, zich oprollen… met behulp van hun zuignappen en de segmentringen. Je vindt ze meestal op stenen of planten tegen de stroming in. Ademhaling: Zuurstof wordt door de huid heen opgenomen. Ze kunnen enkele dagen zonder zuurstof overleven en zijn daardoor kenmerkend voor matig tot sterk verontreinigde wateren.Lichaamsbouw: Het afgeplatte lichaam bestaat uit 33 segmenten die elk nog eens onderverdeeld zijn in verschillende segmentringen (aantal verschilt per soort). Door deze ringen kan de vorm van het lichaam sterk variëren in de lengte en de breedte. De grootte varieert van 0,5 tot meer dan 15cm. Ze bezitten twee zuignappen op de buikzijde die meehelpen bij de voortbeweging, de vasthechting en het eten. Ze hebben 2 tot 10 ogen afhankelijk van de soort.Voortplanting: Bloedzuigers zijn tweeslachtig. De bevruchting heeft plaats tussen twee dieren en is wederzijds. De broedzakjes worden of afgezet op harde substraten of worden op de buikzijde meegedragen.
Voedsel: De meeste borstelwormen zijn substraateters: ze voeden zich dan met humus en organisch afval. Sommige zijn rovers of voeden zich met micro-organismen.Voortbeweging: Ze kunnen zwemmen of kruipen, maar de meeste zitten met hun kop in het slib op de bodem. Met hun achtereinde vromen ze dan soms een heel kluwen.Ademhaling: Door de huid.Lichaamsbouw: Ze hebben een langgerekt wormachtig uiterlijk dat onderverdeeld is in ringvormige segmenten die van elkaar gescheiden zijn door diepe groeven. Vooraan op het eerste segment bevindt zich de mondopening en achteraan de anaalopening. Soms zitten er op het eerste segment ook primitieve ogen.Op ieder segment zitten er ook 2 paar bundels borstelvormige haren. De geslachtsopening bevindt zich in het zadel, een kliervormige verdikking op 1/3 van de mondopening.Voortplanting: Borstelwormen zijn tweeslachtig en planten zich gewoonlijk geslachtelijk voort, maar knopvorming kan in sommige gevallen ook. Tijdens de geslachtelijke vermenigvuldiging doen de uitwendige klieren het zadel zwellen, dat het eikapsel afscheidt. Het eikapsel wordt op de bodem of op waterplanten afgezet.
Voedsel: De zoetwaterweekdieren voeden zich meestal met materiaal van plantaardige oorsprong. Naast waterplanten kan dit voedsel ook bestaan uit microscopische wiertjes. De slakken maken gebruik van een radula (rasptong) om hun voedsel op te nemen, de mossels filteren het water dat binnenkomt via de opening.Voortbeweging: De slakken gebruiken hun voet (een spier onderaan de slak) om voort te kruipen. De mossels blijven meestal op de bodem zitten maar kunnen door het snel sluiten van de schelp kleine sprongetjes maken om zich te verplaatsen.Ademhaling: Gebeurt in de mantelholte waarin een long of kieuw zitLichaamsbouw: Karakteriserend is de aanwezigheid van de ventrale voet en een mantel. Bij de slakken zal het lichaam omsloten worden door een spiraalvormige schelp, bij de mossels zijn er twee kleppen die gesloten kunnen worden.
Voedsel: De meeste schaaldieren zijn afvaleters of alleseters. Sommige soorten kunnen echter beschouwd worden als strikte planten- of vleeseters. De karperluizen staan hierbuiten, zij parasiteren op het bloed van hun gastheren. De kleine dieren, bv watervlo en mosselkreeft, gebruiken hun poten om een waterstroom te maken en zeven er de voedseldeeltjes uit. Grotere soorten grijpen hun voedsel met hun grijppoten. Pissebedden grazen eerder substraten af.Voortbeweging: De kleinere dieren gebruiken hun roeipootjes om zich te verplaatsten. Hogere schaaldieren gebruiken hun looppoten om over het substraat te lopen. Ademhaling: Mosselkreeftjes, watervlooien, eenoogskreeftjes en karperluizen nemen zuurstof op door de huid. De pissebedden gebruiken hun zwempoten en vlokreeften en de rivierkreeft hebben echte kiuwen.Lichaamsbouw: Je hebt binnen de schaaldieren drie bouwplannen.De blad- of kieuwpotigen: Kenmerkend voor deze soorten is dat ze een wisselend aantal lichaamssegmenten hebben en 10 of meer splijtpootjes ter hoogte van het borststuk.De karperluizen: Dit zijn sterk afgeplatte dieren met een stevig rugschild. Ze hebben ook een paar zuignapjes om zich vast te houden aan vissen. Ze hebben 4 paar splijtvormige zwempoten en het achterlijf is weinig ontwikkeld.Hogere schaaldieren: Je hebt in principe steeds 8 borstsegmenten en 6 achterlijfsegmenten en per segment heb je 1 paar splijtpoten. Toch zal je dit niet direct terugzien bij alle dieren omdat er vaak segmenten samengesmolten zijn en de poten vaak van vorm veranderen naargelang hun functie, bv de grijppoten van kreeften, de kaken van krabben…Voortplanting: Je hebt zowel mannetjes als vrouwtjes bij de schaaldieren, maar ook ongeslachtelijke voortplanting komt voor. Dit laatste gebeurt vooral bij de kieuw- of bladpotigen waarbij je bij sommige soorten zelfs maar heel af en toe een mannetje vindt in Vlaanderen.De andere schaaldieren leggen eitjes. Bij de meeste soorten worden deze eitjes niet zomaar los gelaten in het water, maar worden ze een tijd lang meegedragen door de volwassen dieren. Dit kan in een speciale broedbuidel zijn of aan de poten.