In de vochtige delen vinden we valleibossen met populieren en het oorspronkelijke elzen-essenbos in onderetage. Tussen de bossen liggen moeraspirearuigtes en dottergraslanden. Er zijn ook kalkhellingen, grotendeels bebost met een eiken-haagbeukenbos en met een opmerkelijke voorjaarsflora. Eén kalkhelling wordt omgevormd naar een kalkgrasland. Het reservaat, dat aansluit bij landbouwgronden, heeft hoogstamboomgaarden en soortenrijke wei- en hooilanden.
De das en geelgors voelen zich hier prima thuis. Een opvallende voorjaarsbloeier is de wilde narcis. Hoewel ze plaatselijk algemeen voorkomt, is ze op Vlaams niveau zeer zeldzaam. Je mag er dan ook absoluut geen bloemen plukken of bolletjes uitsteken!
Het Agentschap voor Natuur en Bos werkt samen met lokale landbouwers voor het maaien en de nabegrazing. Er blijven echter steeds voldoende ruigtes wat interessant is voor insecten en amfibieën. De valleibossen worden omgevormd naar elzen-essenbossen; ertussen blijven open plekken waar zich ruigtes ontwikkelen. Zo ontstaat een gunstig mozaïekpatroon.