In de IJzertijd behoorde het Raspaillebos - net als het Zoniënwoud - tot het immense Kolenwoud.
In het bos ontspringen tal van bronnen. In het voorjaar vormen de oevers van de bronbeekjes kleurrijke linten met pinksterbloem, dotterbloem en speenkruid. Op de hellingen doen wilde narcis, daslook en wilde hyacinten en sleutelbloem uitbundig mee aan dit kleurenspektakel.
Het Oud-Vlaamse ‘raspe’ (schaven, raspen) verwijst naar het traditionele hakhoutbeheer in dit bos. Om de twaalf tot achttien jaar worden oude stronken van bomen en struiken tot aan de grond afgezet. Hier schieten nieuwe loten uit, die tot aan de volgende kapbeurt verder uitgroeien. Op plaatsen waar dit hakhoutbeheer in ere gehouden wordt, groeien zeldzame planten als de eenbes, bos- en de grote keverorchis.
De brede bosrand van struiken en ruigtekruiden vormt een lichtrijke overgang tussen het bos en de omliggende akkers. In deze overgangszone heerst een specifiek microklimaat, waar heel wat zoogdieren (wezel, hermelijn, bunzing,…), vogels (zwartkop, nachtegaal, geelgors…) en insecten (kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, …) van profiteren.
De Bosberg is niet alleen de stevige kuitenbijter uit de Ronde van Vlaanderen. Samen met de andere beboste hellingen tussen de Mark en de Dender vormt ze een belangrijk richtpunt voor tienduizenden vogels op hun jaarlijkse trek naar het zuiden. De rijke populatie van roofvogels in het bos – buizerd, torenvalk, wespendief, havik, steeunuil – getuigt van een gezonde voedselpiramide in het bos.
De inrichting van het Raspaillebos is een samenwerking tussen het Agentschap voor Natuur en Bos, Natuurpunt en het Natuur- en milieueducatief centrum De Helix.