Het Park van Tervuren kent een rijke geschiedenis. Eeuwenlang was het een tuin in het bezit van vorstenhuizen. In de 12e eeuw was het een jachtdomein voor de hertogen van Brabant, dat later uitgroeide tot een heus paleis. Karel van Lotharingen hield er in de 19e eeuw zijn zomerverblijf. De Oostenrijkse keizer Jozef II liet het paleis echter slopen. De enige overblijfselen van die toenmalige pracht en praal zijn de paardenstallen, enkele vijvers en het stervormige patroon in de Warande.
Veertig jaar later stond er echter weer een koninklijk paviljoen in Tervuren, ditmaal voor Willem-Frederik, zoon van de Nederlandse vorst Willem I. In 1879 brandde dit paviljoen af. Leopold II liet in 1897 op de ruïnes een tijdelijk paleis bouwen voor de Koloniale Tentoonstelling. In 1902 werd het vervangen door het Koloniënpaleis dat vandaag onderdak biedt voor de diensten van het Midden-Afrika-museum. Verderop kwam er nog een veel groter gebouw dat de permanente tentoonstelling van het museum huisvest.
In het park van Tervuren liggen talrijke vijvers. De Vossemvijver werd gerestaureerd in 2006-2007, de zuidelijke Kanaal- en Gertrudisvijvers worden gerestaureerd in 2008-2009. Eens gerestaureerd zullen die vijversystemen het zuidelijk parkgedeelte alvast een deel van zijn vroegere glorie zal teruggeven. Vissen en amfibieën kunnen er binnenkort weer kunnen gedijen dankzij de aanwezigheid van een gevarieerde waterplantengroei en de aanleg van paaiplaatsen. De Vossemvijver biedt kansen aan hengelliefhebbers.