Het Zoniënwoud is samen met de andere Brabantse bossen (o.a. Ter Kamerenbos, Kapucienenbos) een overblijfsel van het Kolenwoud. Dit oerbos strekte zich in de tijd van de Romeinen uit van de oevers van de Rijn en de Moezel tot de Noordzee.
Door het dichte bladerdak dringt er in de zomer weinig zonlicht door tot op de bodem. Hierdoor komt er weinig struikgroei voor. Toch is het geen ‘kaal’ bos. Varens voelen er zich prima thuis. Op meer lichtrijke plaatsen groeien er tapijten van o.a. bosanemonen, boshyacinten, zachte witbol en gierstgras. Je kunt er ook zeldzame plantensoorten ontdekken zoals eenbes, lievevrouwebedstro, rapunzel en sommige wilde orchideeën.
De uitgestrektheid van het Zoniënwoud biedt levensruimte aan heel wat dieren. Een vroege wandelaar maakt kans oog in oog te staan met een vos of ree.
In vorige eeuwen leefden in dit bos ook everzwijnen en zelfs wolven. Sinds enkele jaren is het everzwijn terug van weggeweest.
Het Zoniënwoud verwelkomt jaarlijks 1.5 miljoen bezoekers.