De Duinbossen van De Haan-Wenduine bestaan niet enkel uit hoog opgaand ‘bos’, ook open ruimtes met kaal zand en helmgras, mosduinen en duingraslanden maken er deel van uit. Hier komen zeer uitzonderlijke planten- en diersoorten voor die zijn aangepast aan het speciale klimaat van duingebieden. Bokkenorchis, duinsterretje en kustsprinkhaan zijn maar enkele bijzonderheden.
Een opmerkelijke verschijning zijn de nestkoepels (mierenhopen) van de beschermde rode bosmier, een bosrandsoort die uniek is in de wijde omgeving. In één nestkoepel kunnen zo’n 700.000 rode bosmieren wonen. De rode bosmieren jagen vooral op plantenetende insecten zoals rupsen en ze ruimen ook dode dieren op.
In de overgang van de open ruimtes naar het gesloten bos ontwikkelt zich het typische duinstruweel. De struwelen zijn van belang voor vogels zoals zomertortel, nachtegaal en Cetti’s zanger en voor een aantal planten zoals eikvaren. Hoewel duindoorn het meest opvalt zijn ook tal van andere struiksoorten aanwezig: meidoorn, hondsroos, heggenroos, egelantier, kardinaalsmuts, wilde liguster, vlier en kruipwilg. In een groot aantal struwelen domineren echter exoten, zoals de Japanse rimpelroos, die werd aangeplant om het zand vast te houden. Deze taaie struiken verdringen het inheemse, soortenrijke duinstruweel.
Bij het beheer van de bossen wordt gestreefd naar een structuurrijk, meer natuurlijk bos. Hierdoor zal het naaldbos langzaam maar zeker grotendeels omgevormd worden naar een lichtrijk loofbos met veel open plekken. Om het historisch uitzicht van het naaldhout-duinbos niet volledig te laten verdwijnen, wordt geopteerd om een zone dichtbij het centrum van De Haan als naaldhout te behouden. Wanneer de oude dennen zullen gekapt worden, komen nieuwe dennetjes in de plaats. Het bosbeheer streeft ernaar de huidige tamelijk eentonige soortensamenstelling van het loofbos te verrijken met verscheidene inheemse boom- en struiksoorten, zoals winterlinde, hazelaar, berk, zomereik, es en iep. Ook het historisch gebruik als hakhout wordt in verscheidene bestanden in ere gehouden. Door om de 14 jaar een deel van de bomen te kappen in deze hakhoutbestanden, komt er meer licht tot de bosbodem wat goed is voor een rijke voorjaarsflora met onder andere Italiaanse aronskelk, speenkruid, maarts viooltje en vogelmelk.