Het authentieke polderdorpje Lampernisse, het stilste dorp van West-Vlaanderen, ligt verloren temidden van de weilanden. Onder de oppervlakkige kleilaag, aangevoerd door vroegere zeeën, ligt hier een dikke turflaag. De zee verdween en de bodem verzakte door inklinking (uitdroging) van de turf. De vroegere kreken waren echter gedeeltelijk met zand opgevuld en bleven op hun niveau. Zo ontstond een omkering van het reliëf: hogere kreekruggen naast de lagere komgronden. Hoe lager, hoe natter, hoe meer graslanden. Op de wat hoger gelegen kreekruggronden, met een zandige ondergrond, bevindt zich van oudsher de meeste bewoning, de wegen en de akkerlanden. Deze laatste waren tot de jaren veertig omzoomd met hagen. Op de lagergelegen komgronden bevindt zich het open weidelandschap omringd door een grillig slotenpatroon, dat vroeger de natuurlijke afsluiting voor het vee was.
Verschillende alarmerende berichten over de achteruitgang van de unieke natuurwaarden rond 1990 en de geplande aanleg van een nieuwe snelweg doorheen het gebied zorgden voor een verhoogde aandacht voor de komgronden. In 1993 werd het ministerieel besluit tot rangschikking als landschap getekend. De rangschikking had als doel de historische, landschappelijke en ecologische waarden in uniek poldergebied te beschermen.
Het ruilverkavelingsproject Fortem en het Landinrichtingsproject de Westhoek zorgden voor heel wat inrichtingsmaatregelen, zoals de aanleg van oeverstroken en het aanplanten van hagen op de overgangen tussen de kreekruggronden en de komgronden. In een zone van 340 ha rond de Kripshoek worden de natuurlijke hogere slootpeilen in de winterperiode hersteld via de aanleg van stuwtjes en dammetjes.
Het komgrondengebied van Lampernisse herbergt veel vogels die elders hun areaal ingekrompen zien. Naast de overwinteraars als velduil, smient, blauwe kiekendief, goudplevier, watersnip en wulp zijn hier talloze broedvogels waar te nemen zoals wilde eend, slobeend, zomertaling, scholekster, veldleeuwerik, boerenzwaluw, rietzanger, gele kwikstaart, kleine karekiet en rietgors. Kievit, grutto en tureluur zijn typische weidevogels.
De talrijke slootjes rond de weiden met kamgras en veldgerst zorgen voor een grote rijkdom aan water- en oeverplanten. Gele lis, zwanebloem, grote waterweegbree en waterzuring zijn aspectbepalend. Speciaal voor het gebied zijn moeraszoutgras, grote watereppe en de vrij zeldzame lidsteng.