Geschiedenis
De naam Meikensbossen wordt nog maar sinds kort gebruikt en is afgeleid van het toponiem het Meike dat in de buurt goed gekend is. Vroegere namen waren onder andere het Vijversbos, de Bunders, de Sperrebossen. In oude geschriften lezen we nog meer schilderachtige namen voor verdwenen bospercelen van vroeger: het Zwanenestjen, het Schrooitje, het Erbeziebosch en het Biesbulkske of percelen met minder schilderachtige namen als het Sperren-, Els- of Steenbos.
Op de Ferrariskaarten kan men zien dat de omgeving van het huidige Meikensbos 200 jaar geleden nog een bosrijke omgeving was, het zogenaamde Dendrombosch. In de 19de eeuw raakten deze bossen versnipperd. Door de gestage kap voor brandhout tijdens de twee wereldoorlogen en ontginningen ten voordele van landbouwgronden daarna, slonk het bosgebied tot een schamele 5 hectare.
Het Agentschap voor Natuur en Bos kocht tussen 2000 en 2010 in deze omgeving 46 hectare gronden, waarvan 3,5 ha van het oude Vijverbos. Dat is de oppervlakte van bijna 100 voetbalvelden.
Jaarlijks wordt het domein verder ingericht en bebost.
Natuurwaarden
Het jonge Meikensbos biedt nu al een landschappelijk verrassende afwisseling van oud en jong bos, natuurweilanden en zaadboomgaarden.
Zoals de naam Vijverbos doet vermoeden, zijn de meeste gronden hier vochtig tot zeer nat. Het zeer natte populierenbos wordt omgevormd naar het meer natuurlijke elzen-vogelkersbos.
In het iets hoger gelegen Oude Eikenbos vind je typische plantensoorten van oud bos zoals gele dovenetel, valse salie, grote wederik, slanke sleutelbloem, gewone salomonszegel, adelaarsvaren en bosanemoon.
In de open natuurgraslanden vind je niet alleen heel wat plantensoorten, maar door de dreven, houtkanten, struwelen en veedrinkpoelen leven er ook amfibieën en watergebonden insecten. Ook de recente spontane ontwikkeling van enkele bremstruwelen draagt bij tot structuurdiversiteit.
De houtkanten in Meikensbos hebben een dubbele functie. Zij zorgen niet alleen voor een recreatieve en ecologische diversiteit, maar de planten zijn zorgvuldig geselecteerd. Van gewone vogelkers, sleedoorn, rode kornoelje, hazelaar, Gelderse roos, eenstijlige meidoorn, mispel, kardinaalsmuts en hondsroos wordt hier gecertificeerd inheems zaad geoogst om verder te verspreiden in onze Vlaamse bossen.
Er zijn ook zaadboomgaarden aangelegd met geselecteerd inheemse bomen, onder andere van linde en haagbeuk. Deze bomen zijn echter nog wat jong om van te oogsten.
Deze bossen vormen ook de geschikte biotoop van heel wat diergroepen. We horen en zien hier veel zangvogels zoals de zwartkop, fitis, grasmus, rietgors, zanglijster, spotvogel en tuinfluiter. Enkele typische bosvogels zijn de gaai, grote bonte en groene specht en de alom tegenwoordige houtduif. In de omliggende weilanden vertoeven patrijs, haas, veldleeuwerik, kievit en gele kwikstaart. Ook roofvogels vonden de weg al naar de Meikensbossen: de torenvalk en buizerd zijn regelmatig geziene gasten, ’s nachts nemen steenuil, ransuil en sinds kort ook bosuil hun rol over. ’s Winters passeren hier graspiepers, koperwiek en kramsvogel, witgat en watersnip op hun jaarlijkse trektocht.
Ook diverse vlindersoorten konden al gespot worden: dagpauwoog, oranjetipje, koninginnepage en Sint-jansvlinder zijn er enkele van.