De naam van het Hellegatbos verwijst naar een diepe kloof onderaan de heuvelflank: het gat onderaan de helle. Het West-Vlaamse ‘helle’ betekent gewoon heuvel.
Al in 1912 kocht de Belgische Staat 10 hectare van het Hellegatbos aan, officieel het eerste staatsbos. De Eerste Wereldoorlog veegde het bos echter volledig van de kaart. Na de oorlog werd het bos heraangeplant.
Op de top van de Rodeberg is de bodem droog en zandig. Hier groeien vooral naaldhout, eik, beuk en tamme kastanje. Langs de meer lemige hellingen groeit eiken-haagbeukenbos. Nog lager, in de vochtige bronzones en beekvallei, tref je zwarte els, gewone es, gladde iep en diverse wilgensoorten aan. De rijke struiklaag bestaat uit hazelaar, sleedoorn, meidoorn, Gelderse roos en vlier. In het voorjaar kleuren de hellingen blauw en wit door boshyacinten en klaverzuring. Ook reuzenpaardestaart en daslook voelen zich er in hun nopjes.
Die rijkdom aan planten weerspiegelt zich ook in de aanwezige dierenpopulaties. De opmerkelijkste vogelsoorten zijn buizerd, wespendief, wielewaal, fluiter, boomklever, bosuil en groene specht. ‘s Nachts ontwaken baardvleermuizen en grootoorvleermuizen om op zoek te gaan naar een stevig ontbijt.
Met wat geluk en geduld kan je misschien een hermelijn, steenmarter of wezel bemerken.
Lees meer: