Het Agentschap voor Natuur en Bos onderzoekt elke aanvraag om bomen om te hakken en heeft hierbij de bevoegdheid om de machtiging te weigeren of toe te staan mits het naleven van voorwaarden. In de aanhef van het besluit tot verlenen of weigeren van de kapmachtiging vind je de motivatie voor de beslissing.
Hierna volgt een samenvatting van de belangrijkste criteria die het agentschap hierbij hanteert. Als je bij het invullen van het aanvraagformulier hier al rekening mee houdt is de kans dat het agentschap de machtiging moet weigeren al heel wat kleiner:
Voor bossen gelegen in het VEN zijn de criteria voor duurzaam bosbeheer verplicht te volgen. Het naleven van de criteria voor duurzaam bosbeheer zorgt er meteen voor dat er door de kapping geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur toegebracht wordt; dat is iets waarover elke overheid die vergunningen verleent in het VEN moet waken (verscherpte natuurtoets).
Dit kan vertaald worden naar bijzondere voorwaarden in de kapmachtiging:
Bij ligging in het VEN is het gebruik van bestrijdingsmiddelen verboden, tenzij mits het bekomen van een individuele VEN-ontheffing. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt enkel toegestaan voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers of andere agressieve exoten met gespecificeerde voorwaarden. In dat geval wordt er tegelijk met de kapmachtiging ook een VEN-ontheffing verleend.
In openbare bossen gelden bovendien de verplichtingen van het decreet van 31/01/2002 houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten en het BVR van 19/12/2008. Hier moet het gebruik van bestrijdingsmiddelen voorzien zijn in het reductieplan opgesteld in toepassing van dit decreet.
In toepassing van het Natuurdecreet mag de overheid geen machtiging verlenen indien de aangevraagde kapping een betekenisvol effect kan hebben op de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Indien nodig wordt een mogelijk effect vermeden door het opleggen van milderende maatregelen onder de vorm van voorwaarden in de kapmachtiging.
Zo mag de boomsoortenkeuze bij heraanplanting niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Heraanplanting met niet standplaatsgeschikte soorten kan om die reden geweigerd worden. Wanneer voor de SBZ een natuurrichtplan is opgesteld, moet de boomsoortenkeuze in overeenstemming zijn met de bindende bepalingen in dat plan.
De hiernavolgende criteria gelden zowel in VEN en SBZ als erbuiten. Als de hiervoor vermelde criteria in VEN of SBZ strenger zijn dan wat hierna volgt, dan primeren ze.
Kaalkap veroorzaakt een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moet dan ook vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping of schermkap geniet de voorkeur. De maximum aaneengesloten oppervlakte voor kaalkap of groepsgewijze eindkap bij cultuurpopulier, Amerikaanse eik, grove en Corsicaanse den, lork bedraagt 3 ha. Bij de heraanplanting kan groepsgewijze menging van verschillende klonen of soorten opgelegd worden. Voor cultuurpopulier kan afhankelijk van de locatie uitzonderlijk een aaneengesloten kaalkap van meer dan 3 ha toegestaan worden, gekoppeld aan voorwaarden voor heraanplanting, zoals bv. beplanting met verschillende klonen, omzetting naar minstens 10% inheems loofhout, behoud van natuurlijke verjonging enz. Bij al dan niet met exoten gemengd inheems loofhout is de maximum aaneengesloten oppervlakte voor kaalkap 1 ha. Voor de omvorming van een homogeen bestand naar een gemengd meer structuurrijk bestand, kan deze maximumoppervlakte verhoogd worden tot 3 ha.
Meerdere kaalkappen verspreid over het bos zijn slechts toegestaan indien de onderlinge afstand minstens 100 m bedraagt. Voor zover een bosbeheerplan wettelijk vereist is, kunnen meerdere kaalkappen in één bos enkel via een bosbeheerplan geregeld worden. Kaalkappen die op minder dan 100 m van elkaar liggen in eenzelfde bosdomein kunnen slechts uitgevoerd worden met een tussentijd van minstens 3 jaar.
De diameter waar bomen als ‘kaprijp’ beschouwd worden, is afhankelijk van de beheerdoelstellingen en de houtmarkt. De bosbeheerder kan zelf de ‘kapbaarheid’, meer bepaald de na te streven doeldiameter, bepalen. Bij voorstellen voor extreem vroege kaalkappen (bv. voor de oogst van biomassa) wordt onderzocht wat de effecten zijn op de ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde van het bos. Bij negatieve impact kan de voorgestelde kap geweigerd worden.
Bomen en struiken die opgenomen zijn in de inventaris van autochtone bomen en struiken mogen niet gekapt worden.
De dunning is een selectieve kapping die wordt uitgevoerd om de overblijvende bomen in het bos meer groeiruimte te geven. Dunningen die enkel houtoogst tot doel hebben, met degradatie van het bestand tot gevolg kunnen geweigerd worden. In de kapmachtiging wordt het maximaal toegestaan dunningspercentage vastgelegd. Voor het dunningspercentage wordt gewoonlijk gewerkt met percentage (%) van het grondvlak. Een percentage van het stamtal is ook aanvaardbaar omdat dit makkelijker is voor de eigenaar. In de voorwaarden van de kapmachtiging kunnen nog verdere instructies opgenomen worden. Zo zal meestal een ‘hoogdunning’ toegestaan worden wat betekent dat de beste bomen in het bestand bevoordeeld worden door de rechtstreekse concurrenten te kappen. Deze dunning grijpt in in de bovenetage. Het bos blijft gevarieerd omdat de onderetage en het dode hout blijven staan, wat de natuurwaarde van het bos verhoogt. Een andere methode wordt de ‘toekomstboommethode’ genoemd. Dit is een vorm van hoogdunning of gemengde dunning waarbij al vroeg wordt bepaald welke bomen het eindbestand zullen vormen. Deze bomen worden gemarkeerd (meestal met blauwe stip), en de dunning gebeurt in functie van deze bomen. Bij toepassen van de toekomstboommethode kan de dunningsintensiteit ook uitgedrukt worden in termen van percentage (%) vrijstelling van de toekomstbomen.
Een hakhoutkapping wordt enkel toegestaan bij voor hakhout geschikte soorten, (eik, els, es, wilg, berk, linde, tamme kastanje) en bv. niet voor populier, beuk en naaldhout. Om een duidelijk onderscheid te behouden met korte-omloop-houtteelt (meer info hierover in richtlijn definitie bos) bedraagt de omlooptijd minstens 8 jaar.
In de machtiging wordt het jaarlijkse aantal te kappen bomen of het gekapt volume vastgelegd. Wanneer er in één jaar meer gekapt wordt, kan er het volgende jaar niet meer gekapt worden.
Het toestaan van de gevraagde kapping kan worden gekoppeld aan de naleving van bindende voorwaarden zoals:
Schoontijd: dit is de periode waarin in het bos niet geëxploiteerd en geruimd mag worden omwille van de broedperiode van vogels, de aanwezigheid van andere beschermde diersoorten, de bloeitijd van kwetsbare vegetaties of om andere ecologische redenen. Deze periode loopt normaal gezien van 1 april tot 30 juni, maar kan aangepast worden aan de plaatselijke situatie.
Na het kappen van de bomen moet de bosbeheerder ervoor zorgen dat de gekapte plek terug kan herstellen en opnieuw dichtgroeit.
In principe wordt waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed uitgangsmateriaal) gekozen voor natuurlijke verjonging. In dat geval wordt in de kapmachtiging geen herbeplantingsplicht opgelegd en wordt het behoud van de eventueel aanwezige natuurlijke verjonging opgelegd. Bij twijfel wordt een voorwaardelijke vrijstelling van herbeplantingsplicht gegeven voor maximaal 5 jaar. De voorwaardelijke vrijstelling van herbeplantingsplicht kan ook gekoppeld worden aan een evaluatie van de aanwezige natuurlijke verjonging door het ANB na het uitvoeren van de kapping (bv. bij het omvormen van gelijkjarige bestanden van gewone den, populier , fijnspar ...). Op die manier is duidelijk hoeveel en welke soorten er al aanwezig zijn.
De kunstmatige verjonging door aanplanting of bezaaiing kan uitgevoerd worden tot 3 jaar na de eindkap. Boomsoortenkeuze: het standstill-principe wordt toegepast.
Boomsoort
Inheems loofhout
Niet-inheems loofhout
Inheems naaldhout
Niet-inheems naaldhout
Vervangen door :
Vooral in het kader van bestrijding van agressieve exoten
Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten
Plantafstand:
- Om bosbehoud te kunnen verzekeren moeten een minimaal aantal boompjes per hectare aangeplant worden in een maximaal plantverband. Deze minimale aantallen variëren naargelang de boomsoort (zie onderstaande tabel) en zijn dezelfde als voor het verkrijgen van een subsidie voor herbebossing en bebossing. Voor de productie van kwaliteitshout is het wel aangewezen om in een nauwer plantverband te planten.
Minimum aantal per ha
Maximaal plantverband
Zomereik (Quercus robur)
2000
2m x 2.5m
Wintereik (Quercus petraea)
es (Fraxinus excelsior)
1600
2.5m x 2.5m
beuk (Fagus sylvatica)
zoete kers (Prunus avium)
Haagbeuk (Carpinus betulus)
linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris)
zwarte els (Alnus glutinosa)
berk (Betula pendula en Betula pubescens)
olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor(syn. U. campestris))
gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus )
wilg (Salix spp.)
ratelpopulier (Populus tremula)
grauwe abeel (Populus canescens)
123
9m x 9m
grove den (Pinus sylvestris)
2500
2m x 2m
vlier (Sambucus nigra), lijsterbes (Sorbus aucuparia), hazelaar (Corylus avellana), vuilboom (Frangula alnus), Gelderse roos (Viburnum opulus), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), rode kornoelje (Cornus sanguinea), vogelkers (Prunus padus), Spaanse aak (Acer campestre), meidoorn (Crataegus spp.), sleedoorn (Prunus spinosa), wilde rozen (Rosa spp.), hulst (Ilex aquifolium), wegedoorn (Rhamnus catharticus), duindoorn (Hippophae rhamnoides), wilde appel (Malus sylvestris), wilde peer (Pyrus pyraster), mispel (Mespilus germanica), taxus (Taxus baccata), jeneverbes (Juniperus communis), fladderiep (Ulmus laevis)
terug