Om onze verstedelijkte gebieden leefbaar te houden is een minimum aan groen nodig. Maar hoeveel? En hoe spreiden we dat om in de verschillende buurten en wijken te voldoen aan de lokale behoeften? Om op die vragen een antwoord te kunnen geven moet men rekening houden met groennormen en groenstructuren.
Groen moet voldoen aan bepaalde normen qua oppervlakte en afstand. We spreken dan over oppervlaktenormen en afstandsnormen. In Vlaanderen werden groennormen opgesteld om een planning op lange termijn op te stellen. De bedoelde richtnormen bestaan uit twee aspecten. Vooreerst een globale streefnorm, uitgedrukt als een ideaal aantal m2 per inwoner. En daarnaast normen die preciseren op welke maximum afstand het groen zich voor elke inwoner mag bevinden, in functie van het soort groen (buurtparkje versus groot stadspark). Het zijn geen wettelijke of bindende normen, enkel richtcijfers. Je vindt ze verder in de twee tabellen overĀ oppervlaktenormen en afstandsnormen.
De nood aan het gelijktijdig voorhanden zijn van groene ruimten op de verschillende functionele niveaus wordt onderbouwd door allerlei onderzoek. Herhaaldelijk is vastgesteld dat groen in de stad niet uitwisselbaar is met groen buiten of aan de rand van de stad. Daarvoor verschilt het gebruik van het groen in de stad te zeer van het gebruik van dat andere groen. Voor een leefbare gemeente is vooral belangrijk het ontwikkelen van een netwerk aan groene ruimten, evenwichtig verspreid over het volledige grondgebied. Lees meer over groenstructuur.