Hieronder vind je enkele begrippen rond Natura 2000.
Biodiversiteit: biologische diversiteit of de verscheidenheid in alle levensvormen: planten, dieren, schimmels en micro-organismen, de genen die ze bevatten en de ecosystemen waar ze deel van uitmaken. De soortenrijkdom helpt de ecosystemen in stand te houden. Elke soort is immers belangrijk voor de handhaving van het evenwicht in het ecosysteem waarin het leeft. Tot nu toe zijn er ongeveer 1,75 miljoen soorten wetenschappelijk beschreven, maar de totale omvang van de biodiversiteit is veel groter. Biogeografische regio: in Europa zijn er negen biogeografische regio’s aangeduid waarbinnen de bedreigde habitats en soorten beschermd worden. Deze zijn: de alpiene regio, de Atlantische regio, de regio rond de Zwarte Zee, de boreale regio, de continentale regio, de Macaronesische regio, de mediterrane regio, de Pannonische regio en de stepperegio. Vlaanderen valt voornamelijk in de Atlantische regio.
Fauna: alle diersoorten in een bepaald gebied
Flora: alle planten in een bepaald gebied
Gunstige staat van instandhouding: Op Europees niveau is afgesproken dat de overheid ervoor moet zorgen dat de habitats en soorten van Europees belang duurzaam kunnen overleven. Dat wordt de ‘gunstige staat van instandhouding’ genoemd. De staat van instandhouding van een habitat wordt als gunstig beschouwd wanneer :
De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd wanneer:
Habitat: is het leefgebied van een organisme, maar geen synoniem voor ‘biotoop.’ Dat is immers het geografische gebied waar een organisme leeft. Een habitat gaat daarentegen uit van de (biotische en abiotische) eisen van een organisme. Zo heeft het vogeltje de winterkoning zijn habitat in biotopen zoals bos, duin of moeras. In de context van de Habitatrichtlijn verwijst het begrip habitat eigenlijk naar een natuurlijke of halfnatuurlijke vegetatie.
Habitatrichtlijn: na de Vogelrichtlijn uit 1979 werd in 1992 een tweede Europese richtlijn rond natuurbehoud uitgevaardigd. Deze Habitatrichtlijn is er op gericht de biologische diversiteit te garanderen door de natuurlijke Europese habitats en de wilde flora en fauna in stand te houden. De lidstaten moeten speciale beschermingszones aanduiden voor bepaalde habitats en soorten van communautair belang. Deze zones worden Habitatrichtlijngebieden genoemd of, met een afkorting SBZ-H (speciale beschermingszones in het kader van de Habitatrichtlijn). Samen met de Vogelrichtlijn vormt de Habitatrichtlijn de pijler van de Europese wetgeving rond milieubescherming.
Instandhoudingsdoelstellingen: Europese natuurdoelen. In Vlaanderen bestaat er een onderscheid tussen de gewestelijke en de specifieke instandhoudingsdoelstellingen. De gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen, of G-IHD, tonen aan wat in het totaal in Vlaanderen nodig is om de bedreigde Europese soorten en habitats een toekomst te geven. In een volgende stap worden de globale natuurdoelen verfijnd per Natura 2000-gebied. Dit zijn de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, of kortweg S-IHD. Zij zijn van toepassing op de Natura 2000-gebieden. S-IHD vertellen welk deel van de opdracht ieder gebied voor zijn rekening moet nemen.
LIFE+-fonds: de opvolger van het LIFE-Natuurfonds. Het is een fonds van de Europese Commissie om projecten te financieren die de natuurwaarden in het Natura 2000-netwerk versterken. Via LIFE+ trekt Europa middelen uit om de ontwikkeling van verschillende Natura 2000-gebieden te ondersteunen. Het geld gaat naar projecten die als voorbeeld kunnen dienen voor het Europese natuurbeleid.
Natuurdoelen: in Vlaanderen gebruikte term voor de Europese instandhoudingsdoelen
Passende Beoordeling: naast de opmaak van natuurdoelen en het treffen van geschikte natuurmaatregelen, dient er ook omzichtig omgegaan te worden bij het beoordelen en toestaan van ingrepen in of nabij Speciale Beschermingszones die effecten kunnen hebben op deze gebieden. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt rekening houdend met de noodzakelijke instandhouding van het gebied. Deze passende beoordeling is noodzakelijk voor de toestemming van het beoogde plan of project en moet voor elke ingreep met mogelijke invloed op een SBZ worden uitgevoerd. De toestemming kan slechts worden verleend nadat men zeker is dat:
Soortenbescherming: is een middel om te komen tot meer biodiversiteit. Het is erop gericht specifieke maatregelen uit te werken voor het beschermen van bedreigde soorten. Het nieuwe Soortenbesluit, dat ongeveer 500 dier- en plantensoorten nieuwe kansen biedt, zorgt voor de juridische fundering van de soortenbescherming.
Vogelrichtlijn: deze richtlijn uit 1979 is een van de pijlers van de Europese natuurwetgeving en heeft als doel alle wilde vogels en hun belangrijkste habitats in de hele Europese Unie te beschermen. Ze verplicht de lidstaten de gebieden te beschermen die belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en voor meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten.
terug