Het gentiaanblauwtje, een van de grootste van de familie van de blauwtjes is een zeer gespecialiseerde dagvlinder die voor zijn overleving afhankelijk is van het klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en knoopmieren (Myrmica spp).
De bovenkant van de mannetjes is blauw; bij het vrouwtje is het blauw beperkt tot de vleugelbasis en is de rest van de bovenkant grijsbruin. Meest kenmerkende is echter de onderkant van de vleugels die licht grijsbruin zijn en twee rijen witgerande zwarte stippen heeft. Verwarring is mogelijk met drie andere blauwtjes die regelmatig op heidevelden worden gezien: het heideblauwtje en het icarusblauwtje, die beide oranje vlekken op de vleugelonderkant hebben en het boomblauwtje die echter een lichte grijsblauwe onderkant heeft. Na de paring legt het vrouwtje van het gentiaanblauwtje haar eitjes meestal af op de bijna volgroeide, maar nog gesloten bloemknoppen van klokjesgentiaan. Gemiddeld zetten ze zo’n zeven eitjes per bloemknop af, waarvan er slechts twee tot drie rupsen het vierde rupsstadium halen. Na 10 dagen kruipt een rupsje uit het eitje en eet deze zich een weg naar de zachte bloemdelen in het binnenste van de bloem. Na 10 dagen kruipt hij weer naar buiten en laat zich op de grond vallen. Hier is het geduldig wachten geblazen op een mier van het genus Myrmica (zoals bijvoorbeeld de bossteekmier). Deze nemen de rups mee naar hun nest. De rups scheidt een zoete stof af die de mieren heerlijk vinden in ruil daarvoor wordt hij door de mieren beschermd en gevoed met mierenlarven en –eitjes, maar ook met prooien van de mieren. In begin van de volgende zomer verpopt hij zich en na 3 weken, begin juli, komen de eerste vlinders uit de pop en verlaten zo snel mogelijk het mierennest waarna de cyclus zich herhaalt.
Komt enkel voor op vochtige heide, in veengebieden en op heischrale graslanden.
Met…:
Het klokjesgentiaan behoort tot de gentiaanfamilie (Gentianacea) en is dus de waardplant voor de eitjes en de rupsen van het gentiaanblauwtje. Hij is een lage tot middelhoge (10-60 cm), een-of meerstengelige slanke kruidachtige zomerbloeier, waarvan de hoofdbloei in de nazomer valt. De rechtopstaande stengels zijn min of meer vierkantig, met vier zwakke ribben. De donkergroene bladeren zijn lijnvormig, soms vrij breed lancetvorming met telkens 1 tot 3 nerven; ze zijn alleen aan de uiterste basis met elkaar vergroeid. De bloemen (25-40mm lang) zijn alleenstaand of kunnen per twee bijeen staan in de bladoksels. De grondkleur van de trechtervormige, vijftallige bloemkroon is donkerblauw met aan de buitenkant vijf groene strepen en aan de binnenkant groen stipjes. Bloemen zijn ongesteeld of kortgesteeld in de bovenste bladoksels en de bovenste bladen steken niet boven de bloemen uit. Deze meerjarige plant kiemt alleen op plekjes naakte bodem en vormt pas na enkele jaren bloemknoppen. Eens gevestigd kan hij lang aanwezig blijven, zelfs in een vegetatie die geen verjonging meer toelaat.
De waardmieren van het gentiaanblauwtje zijn knoopmieren van het genus Myrmica. Er wordt ook van steekmieren gesproken omdat de werksters, in tegenstelling tot bosmieren (Formica sp.) en wegmieren (Lasius sp.), een angel hebben. De twee bolvormige verbindingsstructuren tussen borststuk en het achterlijf zijn kenmerkend voor de familie van de Myrmecinae waartoe de knoopmieren behoren, en dit onderscheidt hen bijvoorbeeld van bosmieren en wegmieren. De werkmieren van knoopmieren zijn 5-10 mm lang en roodbruin van kleur. De kenmerken om knoopmieren op naam te brengen, zijn o.a. kopkenmerken zoals de vorm van de antennes en de lengteverhoudingen… In Vlaanderen is de bossteekmier (Myrmica. ruginodis) meer dan waarschijnlijk de optimale waadmier voor het gentiaanblauwtje.