De totale levensduur van de soort bedraagt ongeveer 7 jaar. Hiervan brengt ze 2,5 tot 3,5 jaar door als volwassen gemetamorfoseerd exemplaar door in zee of in grote rivieren. Daarna migreren de adulten stroomopwaarts naar geschikte paaibiotopen in de midden- en bovenlopen van rivieren. Deze voortplantingsmigratie kan zowat het hele jaar door plaatsgrijpen. Paaiplaatsen bestaan uit ovale of cirkelvormige depressies in grof zand of grind. Er paaien soms tot 50 rivierprikken in 1 nest. Achteraf worden actief steentjes aangevoerd en stroomopwaarts de nestopening gedeponeerd. Na de eileg sterven de adulte prikken. De uitgekomen larven brengen 3 tot 4 jaar in slibbanken door in de rivieren, waarna ze metamorfoseren en zeewaarts trekken. De larven voeden zich voornamelijk met detritus en algen (diatomeeën). Adulte in zee levende prikken parasiteren voornamelijk op haring- en kabeljauwachtigen. Landingesloten populaties voeden zich op verschillende zoutwatervissoorten.