Zeer mensenschuwe nachtactieve dieren die overdag in een schuilplaats rusten. Ze leven solitair (jongen blijven wel een jaar bij de moeder) en hebben een territorium. Maar door hun lineair territorium en bijgevolg onvermijdelijke ontmoetingen met soortgenoten is er wel tolerantie onder de dieren.
De otter bewoont een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden (rivier- en beeksystemen, meren en vijvers, laagveengebieden, enz.) met een goede visstand. Een goede waterkwaliteit en een structuurrijke oeverbegroeiing zijn noodzakelijk. De mannetjes zijn territoriaal en gebruiken een zeer groot leefgebied (bv. tot 20 km oeverlengte). Voedsel Bij ons, laagland-waterecosystemen, was de belangrijkste prooisoort de paling. Dit is een bodemlevende en dus gemakkelijker te vangen soort.
Voor de geboorte trekt het vrouwtje een eind landwaarts in om confrontaties met soortgenoten te ontlopen. Ze lijken geen vaste paartijd te hebben, maar de jongen worden hoofdzakelijk wel in het voorjaar geboren. Waarschijnlijk kunnen we hier net zoals bij de marters en dassen spreken van verlegden draagtijd met tijdelijke kiemrust. Ze krijgen meestal 2-3 jongen die een jaar nodig hebben om succesvol te leren vissen en zolang dus afhankelijk zijn van hun moeder.
Ze laten hun uitwerpselen (spraints) achter op opvallende plaatsen zoals op stenen, hoekpunten van samenvloeiingen, boomstammen en stronken, vegetatiepollen naast wissels… Op geur zijn deze te onderscheiden van die van de bever.