De aanwezigheid van een dood dier is een makkelijke manier voor andere dieren om aan voedsel te komen.
Dieren die bekend staan als roofdier - vos, das, everzwijn, zwarte wouw, buizerd... - ontpoppen zich als aaseter.
Naast deze grote dieren leven ook tal van insecten van dode dieren. Sommige soorten zijn zelfs afhankelijk van de aanwezigheid van grote kadavers voor hun voortplanting.
Andere insecten en vogels zoals de koolmees en de spreeuw doen zich op hun beurt te goed aan deze insecten en hun larven.
Schimmels en bacterieën zetten de laatste restjes kadaver om in mineralen. Bij deze micro-organismen zitten echte specialisten, die bijvoorbeeld de afbraak van beenderen en hoeven voor hun rekening nemen. Die mineralen komen tenslotte opnieuw beschikbaar voor de levensgemeenschap in het bos.
Wanneer wilde dieren een natuurlijke dood sterven en kadavers in de natuur mogen blijven liggen, wordt de natuur in Vlaanderen een stuk completer.
Lees meer:
het afbraakproces in vijf fasen.
Artikel over 'Forensische entomologie' (.doc)
Bron: 'Gestoken of gebeten' - Standaard Uitgeverij, 1977.