U bent hier: 
Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype
Print deze pagina Email de link van deze pagina naar een vriend

Dood doet leven - biodiversiteit - Vijf fasen

Het afbraakproces valt in vijf fasen in te delen.


1e fase

Dit wordt de verse fase genoemd. Als eerste verschijnen de kleine vliegjes en de kleine soorten kortschildkevers. De groene vleesvlieg is soms al binnen een uur bij een kadaver.

2e fase

Dit wordt ook de inflatiefase genoemd. De (brom)vliegen (waaronder groene en blauwe vleesvlieg) leggen hun eitjes in het verse kadaver. De lichaamsopeningen zijn gegeerde plaatsen om deze eitjes af te leggen. Zeer spoedig leveren ze de vliegenmaden en komen de grote kortschildkevers, spiegelkevers en de eerste aaskevers en doodgravers aan bij het gasvormig opgezwollen kadaver. Afhankelijk van de temperatuur zorgt de bacteriële afbraak na ongeveer 3 dagen voor gasvorming.
Na 5 tot 10 dagen is de gasvorming zo hevig dat een sterke geur ontstaat. In dit stadium doen aaseters zoals vos en das zich tegoed. Ze maken grote openingen waardoor extra zuurstof het kadaver kan binnentreden. Dit versnelt het afbraakproces.

3e fase

Dit is de vroege rotting, waarbij de vliegenmaden in grote aantallen aanwezig zijn en ook dan verschijnen ook de larven van aaskevers. Bij grote openingen en dus toegenomen zuurstof neemt het aantal aasetende insecten sterk toe. De larven uit de eerste fase zijn inmiddels volwassen geworden en worden bejaagd door insecteneters (egels, spinnen, vogels).

4e fase

Dit is de late rotting. Vele larven van aaskevers alsook de volwassen aaskevers, maar ook nog steeds de spiegelkevers en de grote kortschildkevers zijn aanwezig.
Zodra grote aaseters bij een kadaver kunnen, blijkt het gewicht na 6 dagen nog amper 15 tot 20% van het oorspronkelijke gewicht te zijn.
Na 3 tot 9 weken ligt het kadaver dan grotendeels uit elkaar. Wanneer er nu geen grote aaseters zoals vos, everzwijn, das of raaf zijn, is na 1 tot 2 weken het lichaamsgewicht nog 75%.

5e fase

Ook wel het droge stadium genoemd. In deze latere fase (na 12 tot 14 weken) droogt het kadaver uit, de vliegenmaden verlaten het karkas en dan is de tijd gekomen voor soorten als spektorren, aaskevers en beenderknagers. Er resteren slechts botten en huid. Op deze resten leven specialisten zoals de hoefzwam. De overgebleven botten zijn zeer welkom voor de calcium- en fosforbehoeften van dieren. Zij verspreiden dan ook de botten over het terrein.

In eerste stadium werden enkel zichtwaarnemingen gedaan ofwel via de camera’s ofwel via plaatsbezoek. Dit ging enkel over de “grotere en gemakkelijk” te determineren soorten.
Het was pas in een tweede fase dat het NICC een actieve partner in dit onderzoek werd. Zij namen de entomologische (detail)determinatie voor hun rekening en dit in relatie met het onderzoek op menselijke resten. Op elke crime scene moeten staalnames uitgevoerd worden met waakzaamheid voor de bewaring van de aanwezige sporen. Een groot aantal verschillende criminalistieke disciplines kunnen immers een rol spelen, en het is dus belangrijk om ook de taken van de andere experten of onderzoekers niet te verhinderen. Coördinatie tussen de verschillende personen die tussenkomen is dus onontbeerlijk.
De entomologische staalnames hebben wel een belangrijke bijzonderheid: ze zijn levend! Het is dus onmogelijk om, zoals bij andere sporen, de overtuigingsstukken in beslag te nemen en te wachten op de ontwikkelingen van het onderzoek om het vervolg van de werken aan te vangen. De staalnames moeten dus onmiddellijk, volledig en representatief zijn, en dit alles met een minimalisatie van de stress voor de insecten.
Met het aan boord nemen van het NICC werd een grote stap vooruit gezet in dit project.

Afhankelijk van de plaats waar het kadaver ligt (gesloten of open bos), het tijdstip van de dood in het jaar (koud winter of warme zomer), de lokaal heersende temperatuur, de gebruikte onderzoeksmethode, tussenkomst van grotere aaseters en bijgevolg bereikbaar maken voor zuurstof voor een versnelde afbraak … kan het rottingsproces en het aantal soorten sterk verschillen.
Tijdens het onderzoek in het Zoniënwoud werd gebruik gemaakt van automatische camera’s die zowel beelden of filmpjes maakten, maar ook van thermometers die ieder uur de temperatuur registreren. Beelden maken kan zowel overdag als ’s nachts. Van zodra er beweging nabij het kadaver waargenomen werd, fotografeerde de camera de bezoeker.
Wekelijks werd een bezoek gebracht aan het kadaver waarbij de waargenomen soorten, al dan niet in de opgestelde valletjes, en hun aantal genoteerd en gefotografeerd werden.

Zie ook: http://www.wetenschap24.nl/labyrint/node/173

terug