Sinds een tijdje werden sporen van everzwijn gevonden in het Zoniënwoud.
Het werd snel duidelijk dat temperatuur en vochtigheid een rol spelen bij de afbraak van een kadaver. De situering van de verschillende locaties gaf hier een duidelijk beeld van. De afbraak van een kadaver gelegen op een open bosweide verliep snel omwille van de zeer hoge temperaturen. Kadavers onder gesloten bladerdek (eik of beuk) hielden het langer uit, tenzij een vos plots verscheen. De dekking van het bos zorgt er immers voor dat de vos ongestoord van dit feestmaal kan genieten.
Tijdens de eerst vier maanden van de studie werd geleerd hoe om te gaan met de camera’s, maar ook dat het best handig is om de kadavers vast te leggen. Vossen hebben immers de gewoonte om hun prooi weg te trekken en dus veelal ook uit het beeldveld van de nachtcamera.
Begin november werd de digitale dag/nachtcamera volop ingezet. Met een fotokaart van 2GB konden, bij een resolutie van 6MB, honderden beelden gemaakt worden. Er werd ook met de instelling van het in opeenvolging fotograferen geëxperimenteerd. Zo werden er reeksen gemaakt van maximaal negen beelden met een tussentijd van ongeveer 10 seconden en dan 1 minuut pauze. Dit gaf soms aanleiding tot 200 beelden op één nacht, dit voornamelijk van vos.
Op 4 november 2008 werd een reeks beelden gemaakt met als instelling 9 beelden na elkaar gevolgd door 1 minuut pauze. Om 20:08:30 viel een blad en dit activeerde de camera. Om 20:08:38, 20:08:46 en 20:08:53 volgden de andere beelden met niets op. Om 20:09:01 verscheen een vos in beeld die terugkeerde op de foto’s van 20:09:08, 20:09:16, 20:09:23 en 20:09:31.
Uit deze ellenlange reeks beelden bleek dat een vos om 07:25:57 ’s ochtends en om 18:18:57 ’s avonds verscheen bij het reekadaver. Het was ook duidelijk dat deze vos zich helemaal niet liet storen door de flits van de camera, een algemeen gegeven zo blijkt uit het onderzoek van de daaropvolgende maanden. Everzwijn reageert echter wel op de flits en gaat er dan snel vandoor.