Beheernota

Vanuit ecologisch standpunt bestond in de jaren tachtig een grote behoefte aan de maatschappelijke acceptatie van dood hout in onze Vlaamse bossen.
Toen in 1983 houtvester Joseph Zwaenepoel in het Zoniënwoud besliste om het centrale gedeelte onaangeroerd te laten met betrekking tot de exploitatie, was een eerste stap gezet.
De publicatie van “DOOD HOUT brengt LEVEN in het bos” (tekst: W. Verbeke in een uitgave van Dienst Groen, Waters en Bossen) uit 1989 luidde ook een andere periode in.
De officiële oprichting van het bosreservaat ‘Kersselaerspleyn’ en later ‘Haras’, beiden omgedoopt in 2008 tot het integrale bosreservaat ‘Joseph Zwaenepoel’ en in 2009 uitgebreid tot ruim 200ha., bestendigen deze gedachtegang.
Nu zowat 25 jaar verder en met heel wat overredingskracht zijn woorden als ‘boomruïne’ en ‘boomlijk’ algemeen aanvaard.
In het bosbeheer heeft een geleidelijk acceptatieproces bewerkstelligd dat dode bomen tegenwoordig een alledaags beeld zijn in onze bossen, met zeer positieve gevolgen voor de biodiversiteit.
‘Dood hout brengt leven’ is nu algemeen aanvaard in Europa.


Wat echter met dode dieren?

Het proces van natuurlijke omzetting van kadavers leidt namelijk een kwijnend bestaan en verdient krachtige opwaardering. Een natuur met dood materiaal – ofwel dood hout, ofwel dode dieren – is immers zoveel rijker aan biodiversiteit dan een natuur zonder. Van herkomst kent het ecosysteem een diverse en gespecialiseerde levensgemeenschap van aasconsumenten die ervoor zorgen dat niets verloren gaat en alles hergebruikt wordt. Wetenschappelijk bestaat er geen enkele discussie over het belang van deze natuurlijke recycling.
In de letterlijke zin betekent het “dood-doet-leven”. De waardevolle biologische bouwstoffen blijven in het natuursysteem circuleren en zijn een zeer gewilde voedsel- en energiebron voor talrijke dieren en micro-organismen, dit naar analogie met dode bomen.
Het laten liggen van dode bomen stuitte vroeger ook op een zeer grote weerstand, echter nu niet meer. Nu is het de beurt aan de dierkadavers om de kwaliteit en de biodiversiteit van onze natuur op te krikken.

Werken aan een draagvlak.

Van de ene op de andere dag alle gestorven wilde dieren of grote grazers in een terrein beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos of een van haar vele partners achterlaten, zou ongetwijfeld een schokreactie teweeg brengen bij de publieke opinie.
Het is daarom een must om, zoals steeds, aan een maatschappelijk draagvlak te werken met een goed uitgekiende voorlichtingscampagne.

Projectverloop.

In periode 2007-2009 liep het proefproject ‘Dood doet Leven’ in het natuurgebied Groenlanden, Gelderse Poort in de schaduw van Nijmegen, Nederland. Dit is een samenwerking tussen Stichting Ark, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.
Sinds midden juni 2008 valt er ook een kadaverexperiment in België te volgen, namelijk ‘Dood doet Leven, ook in het Zoniënwoud’. Dit project verloopt in nauwe samenwerking met de Nederlandse collega’s.
Er werd besloten om volgende belangrijke stappen te zetten:

  • a. uitgebreid terreinonderzoek en technische realisatie
  • b. publieksbereik met een persmoment
  • c. educatie en voorlichting
  • d. beheernota
  • e. continu terreinonderzoek met uitgebreide middelen

a. uitgebreid terreinonderzoek en technische realisatie

Er werd gewerkt binnen het wettelijke kader (1774/2002/EG) in welke bepaald wordt dat dierkadavers van vee (paarden, runderen, …) en huisdieren dienen opgeruimd worden. Dieren met een wilde status mogen na hun dood echter wel blijven liggen (zie bijlage 1).
Via collega boswachters van de drie gewesten in het Zoniënwoud, locale politiediensten en brandweer werd een oproep gedaan tot het melden van dode reeën, vossen, marters en everzwijnen.
Het onderzoek werd gestart op 20 juni 2008 en op 1 juli werd een plaatsbezoek aan ARK/Staatsbosbeheer Groenlanden, Gelderse Poort georganiseerd.
Verkeersslachtoffers werden opgehaald/gebracht en op enkele vaste locaties geplaatst. Deze locaties werden vooraf vastgelegd: een eikenbestand, een open beukenbestand, een naaldhoutbestand en in een later stadium de educatieve locatie.
Veldwaarnemingen werden gedaan doormiddel van drie bewegingscamera’s (dag- en nachtwerking) alsook visuele en fotografische notities overdag.

In de loop van het voorjaar 2009 werd het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie partner in het project, meer bepaald voor het luik ‘insecten’.
Zie ook: http://www.wetenschap24.nl/labyrint/node/173

Via het NICC werden ieder uur ook temperatuursmetingen gedaan. Op deze wijze wordt een beeld verkregen over de temperatuursevolutie op de specifieke locaties.
Talrijke beelden, zowel overdag als ’s nachts leren ons een inzicht krijgen op de afbraak (zowel tijd als snelheid) van een kadaver.
De gegevens van het NICC vormen een meerwaarde om de microafbraak in functie van de temperatuursschommelingen te volgen. Als spin-off van het project werd voor de eerste maal in de geschiedenis een regio-overschrijdende inventaris opgemaakt van de verkeersslachtoffers en dus de ‘zwarte’ punten.
De tussentijdse resultaten worden voorgesteld in de powerpoint-presentatie (zie publieksbereik).

b. publieksbereik

Het publiek informeren is te allen tijde een grote waarde bij een project, zeker ook bij de kadaverkringloop in een ecosysteem. Daarom werd, nadat er voldoende tussentijds resultaat bereikt werd, een persmoment ingelast.
De doelstelling van dit luik is meerledig:

  • a. De discussie over ecologische en veterinaire aspecten van kadavers uit het kleine kringetje van ecologen halen en optillen op het niveau van een breder podiumpubliek.
  • b. De recreant laten wennen aan het beeld dat kadavers thuis horen in de natuur.
  • c. Terreinbeheerders stimuleren om aan kadaverbeheer te doen en in de marge ervan kleine natuurgebieden aaneen te smeden tot grote eenheden.

Na een zekere voorbereidingsfase ging het project van start met een uitgekiend presentatiemoment. Een educatief wandelpad werd opengesteld en ingelopen. Een vaste locatie werd regelmatig voorzien van een ree- of voskadaver.

Na verloop van tijd ebt de media-aandacht echter weg. Om dit project in de media te houden, werd vanaf 1 november 2009 overzichtspresentatie voorgesteld over heel Vlaanderen.

c. voorlichting en educatie

Het is niet altijd eenvoudig om de exacte bewoordingen te vinden met betrekking tot een projectvoorstelling, maar soms komt de muziek ter hulp.
“Er is leven, er is leven na de dood” ... “Heb je je doodsangst overwonnen, wordt het alle dagen feest”, zong Freek de Jonge of concreet voor het Agentschap voor Natuur en Bos, hoe het kadaver van een dood wild dier een welgekomen maaltijd voor natuurlijke aaseters kan zijn.

Er werd gekozen, mede omwille van praktische en budgettaire redenen, voor drie mobiele camera’s met bewegingssensor. Zowel foto’s (dag en nacht) als videobeelden (nacht) werden gemaakt. Steeds blijft de vraag “wat speelt zich daar bij dat kadaver ’s nachts af” interesse opwekken bij het brede publiek. Hierop kan ingespeeld worden met tot een tot de verbeelding sprekende fotopresentatie. Ook lezingen en andere presentaties worden als voorlichting- en educatiemiddel aangewend.

Belangrijk is het gastheerschap van het Agentschap voor Natuur en Bos of organiserende partners: er moeten periodiek terreinexcursies aangeboden worden m.b.t. ‘Dood doet Leven’. Voorlichting via informatiecentra (tentoonstellingen) en tijdschriften blijven ook het ‘Dood doet Leven’ project ondersteunen.

d. beheernota

Agrarische en gezondheidswetgeving heeft de kringloop van dierkadavers in het verleden doorbroken. De verplichting om kadavers van gehouden dieren te laten vernietigen, heeft deze hygiënenormen geïntroduceerd in onze natuur. En niet te vergeten in de hoofden van vele burgers.
Dit is ook in de hand gewerkt door een reeks incidenten met dierziekten die de maatschappelijke emoties flink beroerden. Kadavers worden daardoor vaak geassocieerd met besmettingsgevaar voor huisvee en volksgezondheid, ongeacht of het hier nu gaat om de boerderijsituatie of de vrije natuur.
Dat gehouden dieren in de agrarische sector na hun dood naar de destructie gaan, is vanzelfsprekend. Dat geldt ook voor agrarisch vee dat voor beheerdoeleinden in natuurgebied wordt ingezet, daar is de wet duidelijk in.
Maar dat zelfs kadavers van wilde herbivoren (ree, edelhert en everzwijn) vaak uit het vrije veld worden verwijderd, is een gevolg van achterhaalde hygiënische preventie. Hierdoor heeft zich een traditie ontwikkeld om het publiek niet te confronteren met dode dieren.
Een verbreding in de discussie van specialistenforum naar publiekforum is dus aangewezen met betrekking tot kadaverbeheer.

Wat betreft de status van wilde dieren; dit is zeer duidelijk. Zij zijn dieren in de vrije natuur en niemand is hier eigenaar van. Bijgevolg is de Verordening Dierlijke bijproducten (1774/2002/EG) en de Gezondheids- en welzijnswet voor deze dieren niet van toepassing. Dit houdt in dat kadavers van deze dieren mogen blijven liggen in de natuur.
In het geval van verkeersslachtoffers is het uit esthetisch en emotioneel standpunt aangewezen deze kadavers te ‘verplaatsen’ naar een centraal gelegen gedeelte van het bos- of natuurgebied.

In de door het agentschap beheerde gebieden zijn tal van ‘grote grazers’ aan het werk. De meest gebruikte soorten zijn natuurpaarden of -pony’s (Shetland en Koninks), Galloways, ezels en schapen.
Recent werd in Nederland bij een kamervraag (21.04.09: vraag van de Partij voor de Dieren aan de Minister van LNV) volgend standpunt ingenomen: ‘in een grote eenheid gebied worden alle dieren beschouwd als dieren in de vrije natuur’. In deze gebieden is de Verordening 1774/2002/EG niet van toepassing. Dit brengt met zich mee dat kadavers van diersoorten zoals Konikpaard en Heckrund mogen blijven liggen in de gebieden met als status ‘grote eenheid natuurgebied’. In Nederland zijn slechts twee zo’n gebieden, namelijk de Oostvaardersplassen en de Veluwezoom. (zie bijlage: “Een paradijs met een scherp randje”).

In Vlaanderen zijn we verplicht te werken met een andere dimensie qua oppervlakte.
In eerste instantie zou het dus goed zijn vast te leggen wat een ‘grote eenheid natuurgebied’ is. Een minimale oppervlakte alsook de verbindingsmogelijkheden tussen de natuurgebieden dient in ogenschouw genomen te worden bij het opstellen van de definitie ‘grote eenheid natuurgebied’.
Verder kan ook gedacht worden over de jaarcyclus van de grote grazers.
Verblijven ze het jaar rond in het gebied en werpen ze jongen? Met andere woorden kan men ze beschouwen als ‘dieren in de vrije natuur’?
Ook dit kan helpen bij het opstellen een nota over kadaverbeheer.

In ieder geval laat de wetgeving toe aan kadaverbeheer te doen bij wilde dieren. Gezien het wellicht meestal zal gaan over verkeersslachtoffers, is het omwille van redenen van biodiversiteit, aangewezen de kadavers te verplaatsen en al-dan-niet op te volgen als studieobject.

e. continu terreinonderzoek met uitgebreide middelen.

Wat betreft Dood doet Leven, ook in het Zoniënwoud. Deze studie wordt verder gezet enerzijds met een uitbreiding van het fotografische materiaal, nl. infra-rood camera’s en anderzijds met gegevens verzameld door het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie. Het NICC wenst haar kennis te vergroten over het dateren van lijken en over optredende afbraaksporen (natuurlijke sporen versus dadersporen).
Een opschaling van Dood doet Leven naar kadavers van runderen, herten en zwijnen is erg interessant voor het NICC, omdat op dat niveau veel overeenkomsten met menselijke resten herkenbaar zijn.
Het NICC zal zich in de toekomst toespitsen op volgende vragen:

  • hoe snel vergaat een kadaver in de verschillende seizoenen? Hiervoor zal een uitgebreid netwerk van thermometers opgezet worden.
  • welke kadaverconsumenten zijn daarbij betrokken?
  • welke kenmerkende vaartsporen maken ze?
  • Zegt de volgorde waarin diverse aaseters verschijnen iets over de tijd die verstreken is sinds het moment van sterven?

Rekening houden met emotionele reacties (mogelijk volgt hierover een studie in 2011)

Begroting.

Europese component.

Discussie en toekomstmogelijkheden.

Bijlage 1 : Wettelijke kader met o.a. 1774/2002/EG

Links verwijzend naar dit onderwerp.

Bijlage 2 : DOOD DOET LEVEN, presentaties

  • Zondag 1 november ’09., 10.30u.
    Zondagen van het Museum, Inverde.
    Bosmuseum Jan van Ruusbroec, Hoeilaart.
  • Woensdag 2 december ’09., 19.00u.
    Brandweer Overijse.
  • Woensdag 9 december ’09., 10.00u.
    BIM, Gulledelle 100, lokaal C13.
  • Zaterdag 30 januari ’10.
    BRAKONA-dag, thema biodiversiteit, Provincie Vl.-Brabant.
    meer info: www.brakona.be
  • Donderdag 4 februari ’10., 20.00u.
    Natuurpunt Ninove, vzw Kalisj, Pollarestraat 126, Ninove.
  • Zondag 28 februari ’10., 09.00u.
    Natuurgidsen Amenti.
    Bosmuseum Jan van Ruusbroec, Hoeilaart.
  • Donderdag 11 maart ’10., 19.00u.
    Natuurgroepering Zoniënwoud vzw.
    GC De Bosuil.

Bijlage 3. : “Een paradijs met een scherp randje”

zie ook:
http://www.destentor.nl/regio/flevoland/4660094/Een-paradijs-met-een-scherp-randje.ece

Diep in de Oostvaardersplassen tuurt boswachter Hans Breeveld (49) door zijn verrekijker naar een groep grauwe ganzen. Gakkend zoeken ze naar voedsel. Tot één wegwiekt en de rest volgt. Een grauwe, luidruchtige wolk stijgt op boven het half open, moerassige landschap van de Oostvaardersplassen. Het zijn een paar duizend vogels, schat Breeveld. Vlakbij de groep zoeken Heckrunderen en konikpaarden naar voedsel. Meer naar het westen loopt een koppel edelherten door ondiepe plassen. Een slechtvalk slaat zijn vleugels uit en scheert laag over kaal grasland.

De winter loopt op zijn laatste benen. De natuur in het duizenden hectares tellende gebied - waarvan 3600 hectare moeras-natuur - wacht met smart op de lente. De periode van nieuw leven, van toenemend aanbod van voedsel.

In een kudde van enkele tientallen konikpaarden is er aan testosteron in elk geval nog voldoende over. Twee hengsten hinniken, trappen naar elkaar, steigeren, bijten in elkaars flanken. De 'survival of the fittest' die elke winter op zijn hardst wordt gespeeld in het natuurgebied tussen Lelystad en Almere gaat niet alleen over voedsel.

Maar voedsel is deze winter wel wat de discussie voert over het beheer van Staatsbosbeheer in de Oostvaardersplassen. De natuur moet er zijn eigen gang kunnen gaan, vindt Staatsbosbeheer. Die keus werd al gemaakt in 1996, toen Staatsbosbeheer het gebied mocht gaan beheren. Twaalf jaar eerder al waren er 35 Heckrunderen en 25 koniks in het gebied losgelaten. In 1992 kwamen daar edelherten bij. Van inteelt is geen sprake, zegt Breeveld. De natuur is hard voor alles wat afwijkt. Wie niet in de pas loopt, maakt geen kans. De keus voor een puur natuurlijk beheer betekent ook dat in de voedselschaarse winter dieren niet worden bijgevoerd. En dat zorgt voor de nodige discussie.

Telefoon voor boswachter Breeveld. Een mevrouw wil duidelijk maken dat hij de dieren in het gebied moet gaan bijvoeren. Hij antwoordt: "Dat schept een probleem dat er niet is. Bijvoeren betekent meer dieren. Dan moeten we volgende jaar weer meer bijvoeren. En dat betekent weer meer dieren." Daar moet ze wel even over nadenken.

Haar telefoontje is exemplarisch. Enkele weken geleden rees de discussie weer over die keus van Staatsbosbeheer - daarin overigens gesteund door de rijksoverheid. De natuurbeheerder maakte bekend dat mogelijk dertig procent van de grote grazers in de Oostvaardersplassen het einde van de winter niet haalt. Geen bijzonder percentage, zegt Staatsbosbeheer. Gewoon gevolg van een lange winter. En omdat er ongeveer 3600 Heckrunderen, konikpaarden en edelherten rondliepen toen de winter inviel, is de rekensom snel gemaakt: mogelijk 1200 dieren halen de lente niet. Wie voldoende vetreserves heeft opgebouwd in het seizoen ervoor, zingt het wel uit. Maar dieren die de kans niet kregen, raken verzwakt.

Breeveld: "En dan wordt er soms geschreven dat we de dieren laten verkommeren. Dat doen we dus absoluut niet. Als we zien dat een dier het niet gaat halen, dan halen we 'm er tussenuit." Beheersjargon voor afschieten. Een snelle kogel voorkomt langzaam lijden. " Dat is voor ons een kwestie van dierenwelzijn." Overigens lijkt de dierensterfte dit jaar mee te vallen. De lange winter is niet de verwachte 1200 dieren, een derde van de populatie, fataal geworden. Wel stierven van 1 januari tot 1 maart 325 dieren: 245 edelherten, zeventig konikspaarden en tien heckrunderen. Breeveld: ,,De winter is nog niet voorbij. Wij mogen wel denken dat de lente is gekomen omdat het wat warmer is, maar voor de dieren is dat anders." Hij verwacht dat er zeker nog dieren zullen doodgaan voordat de lente is gekomen. "Het venijn zit soms echt in de staart."

Los daarvan zegt hij dat aan het begin van de winter een serieuze schatting is gemaakt over het aantal dieren dat de winter niet zou overleven. ,,Ik ben blij dat het nu aan de hoge kant lijkt te zijn: beter te hoog ingeschat en dat het meevalt, dan andersom."

Kadavers van afgeschoten edelherten blijven liggen in het gebied - ze vallen onder wildwetten - maar dode Heckrunderen en koniks vallen onder destructieregels. Van Breeveld zouden ze mogen blijven liggen. Ook een kadaver heeft zijn nut in het ecologisch systeem. "Allerlei insecten leven ervan. Vossen ook, net als zeearenden."

Als de grauwe ganzen zijn neergestreken, stuurt hij zijn terreinwagen zuidwaarts het gebied in. Een volgende kudde konikpaarden staat bij een sloot te drinken. Een paard krabt modder weg, zoekend naar wortels van riet. "Daar zit suiker in, voedingsstoffen”, zegt de boswachter. Hoe langer de winter duurt, hoe harder de dieren naar voedsel moeten zoeken. Maar het gebied kan de aantallen aan, zegt Breeveld; 3600 grote grazers is niet te veel voor de Oostvaardersplassen. En honger? Natuurlijk hebben ze weinig te eten nu. Maar de dieren passen zich op het gedwongen dieet aan, zoals 'de natuur' overal ter wereld dat doet. Je maag krimpt, je doet het rustig aan. Breeveld vermoedt dat de dieren niet echt een hongergevoel hebben.

Hij wijst op de kuddes die in het gebied rondlopen. "Zien ze er uit alsof ze het beroerd hebben?" Ja dus. Dat wil zeggen: als je een konik vergelijkt met een manegepaard. Ongekamd, niet weldoorvoed. Je kunt de ribben tellen en de flanken hebben het niet breed. Maar de kuddes zijn levendig, de dieren krabbelen naar eten, hengsten maken amok. Een Heckrund loopt arrogant voor de auto van Breeveld langs. Een handvol edelherten springt lenig over een paar sloten. Het is de natuur zoals Staatsbosbeheer die voor ogen heeft. Waarin het landschap niet wordt gevormd door de mens, maar door de dieren die er gebruik van maken. Grauwe ganzen houden het landschap open, samen met koniks, Heckrunderen, edelherten. Breeveld: "We zijn een beetje vergeten dat dat 10.000 jaar geleden hier ook gebeurde. Door dit soort dieren. De wisent liep hier rond, het oerrund, het wilde zwijn."

De mens maakte niet het landschap - zoals nu - maar leefde er van. Dat doet Breeveld dan net niet. Maar voor hem zijn de Oostvaardersplassen 'een beetje paradijs op aarde', zegt hij. "Het is me weleens gevraagd of ik een Heckrund zou willen zijn in dit gebied. Natuurlijk. Heerlijk je eigen gang gaan, zo lang als het je is gegeven. En niet verder vertellen, maar stieren hier mogen nog seks hebben. Dat is op een boerderij wel anders."

Literatuurlijst.

  • CADEE C.G & VAN WIELINK P., Leven na de dood, Natura, 2008/nummer 3, blz. 70-71.
  • DE CLEENE D., Natuur op eigen poten. EOS, nr. 6 juni 2008.
  • KATS H., ‘er is leven na de dood’
  • LARDINOIS R., (onder de redactie van), Dood doet leven, KNNV uitgeverij, 2005.
  • SCHILTHUIZEN, M & H. VALLENDUUK (1998), Kevers op Kadavers, Wet. Med. KNNV 222:1-148.
  • STICHTING ARK, nogmaals de vraag: eten of gegeten worden ? ; Natuur, Bos, Landschap vakblad.
    blz. 9–12.
  • TROUKENS W., Doodgravers en aaskevers aan de westrand van Brussel (Coleoptera: Silphidae). Phegea 29 (3) (1.IX.2001):95-98.
  • TROUKENS W., Spiegelkevers aan de westrand van Brussel (Coleoptera: Histeridae). Phegea 33 (4) (1.XII.2005):138-144.
  • VOLKSKRANT DE, een rottend rund is een superhap, maandag 27 juni 2005.
  • WOESTENBURG M., Hoort de dood in het bos ? WB Archief, wetenschap. juni 2006.
  • EG verordening nr. 1774/2002.
  • OVAM-richtlijn en besluit Dierlijk Afval, Aandachtspunten voor ophalers van kadavers van landbouwdieren.

Toekomst van het project.

Er werd beslist het project verder te zetten, enerzijds om een betere kijk te krijgen op het aantal dode dieren (incl. plaats en datum) en anderzijds om een inzicht te krijgen in de evolutie van de biodiversiteit van kadavers. Hiervoor zal gebruik gemaakt worden van twee mobiele infrarode camera’s alsook een vaste camera. Beiden hebben de mogelijkheid om dag en nacht beelden te maken.
Verdere rapportage zal gebeuren via de website van het Agentschap voor Natuur en Bos.

Dankwoord.

Mijn dank aan de collega’s boswachters, de groenarbeiders, de brandweer van Overijse, … zij bleken perfecte leveranciers ‘van vlees en bloed’ te zijn.
Dank tevens aan verschillende mensen van het Agentschap voor Natuur en Bos en dit voor de ondersteuning (financieel en communicatief) van het project en ook bedankt aan Yves, Sofie, Erena en Luc van het NICC.

Dirk Raes, boswachter
regio Groenendaal, Zoniënwoud, Agentschap voor Natuur en Bos
e-mail: dirk.raes@lne.vlaanderen.be 
gsm: +32 (0)479 67 94 31

terug