Slikken en schorren zijn de longen van de rivier. Ze zorgen tevens voor voedsel. Hiervan profiteert de hele voedselketen, van microscopische kleine wezens tot de vissen en hun predatoren.
Het slik is het gedeelte van de oever dat bij elke vloed overspoelt. Slechts weinig planten houden het hier uit. In de modder krioelt het wel van de minidiertjes zoals wormen, krabben en kreeftjes, een ideaal maal voor eenden en steltlopers. Bij ieder getij wordt een dun laagje slib afgezet waardoor slikken opslibben en langzamerhand boven de hoogwaterlijn uitsteken. Ze overstromen niet meer bij ieder getij, het zijn nu schorren.
Schorren overspoelen enkel bij springtij. Deze getijdenwerking veroorzaakt opslibbing op de ene plaats en erosie op de andere. De schorranden kunnen afkalven, centraal ontstaan geulen en tegelijk ontstaan nieuwe stukjes schor. Dit dynamisch milieu herbergt een aangepaste flora en fauna. Er groeien plantensoorten die een tijdelijke overstroming – zelfs met zout of brak water – goed verdragen. In het brakke water treffen we stevig hoog riet, terwijl stroomopwaarts de unieke zoetwaterschorren met ruigten, rietvelden en wilgenvloedbos domineren. Pinksterbloemen en spindotterbloemen maken er in het vroege voorjaar furore. Later in het jaar zorgen kattenstaart en harig wilgenroosje voor een paarse gloed. Vogels voelen zich hier thuis; ze kunnen er rusten en broeden.
Slikken en schorren zijn levensnoodzakelijk voor een goed functionerend ecosysteem. Ze zorgen voor een groter contactoppervlak tussen water en lucht, waardoor ze de rivier met zuurstof aanreiken en stikstof verwijderen. Slikken en schorren brengen ook silicium in het water. Dit is een bouwsteen van kiezelwieren. Deze liggen aan de basis van de voedselketen. De aanwezigheid van kiezelwieren verhindert het optreden van algenbloei, iets wat desastreuze effecten kan hebben op de visstand.