VEN / IVON

Het verband tussen eilanden en natuur

Dat natuur grote aaneengesloten gebieden nodig heeft, is geen uitvinding van de politiek. Aan de grondslag ligt een theorie over het bestaan van planten en dieren op eilanden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het aantal soorten planten en dieren op een eiland kleiner is dan op het nabijgelegen vasteland. Bovendien neemt het aantal toe met de oppervlakte van het eiland en af met de afstand tot het vasteland.

Die wetmatigheden gelden ook voor de natuurgebieden, die als eilanden in het omgevende gebied liggen. Hoe groter de oppervlakte van een natuurgebied, hoe meer soorten planten en dieren. Hoe groter de afstand tussen twee natuurgebieden, hoe kleiner de kans dat planten- en diersoorten uit het ene gebied met hun soortgenoten van het andere gebied in contact komen en hoe groter de kans dat een soort uitsterft.

VEN = GEN + GENO
GEN = Grote Eenheden Natuur 
GENO = Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling
IVON = NVWG + NVBG
NVWG = Natuurverwevingsgebieden
NVBG = Natuurverbindingsgebieden 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote gebieden

Eerst en vooral moeten de natuurgebieden voldoende groot zijn. Planten en dieren hebben immers een bepaalde oppervlakte nodig om zich te ontwikkelen. Hoe groter een gebied, hoe groter de kans dat het geschikt zal zijn als leefgebied voor planten en dieren en hoe meer er van die planten en dieren in dit gebied kunnen voor komen. Bovendien geldt ook het volgende principe: hoe groter een gebied, hoe minder kans dat externe factoren, zoals vervuiling, verstoring enzovoort, een invloed hebben op de kwaliteit van het gebied.

Onderling verbonden

Daarnaast moeten de natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar in verbinding staan. Dat kan door het instandhouden van verbindingselementen, zoals houtkanten, bermen, beken, rivieren of kleinere tussenliggende natuurgebieden. Daardoor is de uitwisseling van planten en dieren mogelijk en blijft hun behoud gegarandeerd. Wanneer leefgebieden niet verbonden zijn of in twee gesneden worden door bijvoorbeeld een autoweg, is er sprake van migratiebelemmering: planten en dieren vinden hun weg niet meer naar een ander gebied. De kans dat een soort uitsterft, is aanzienlijk hoger in dergelijke geïsoleerde gebieden.