Algemene informatie over de inhoud van het natuurbeheerplan

Algemene informatie over de inhoud van het natuurbeheerplan

Krachtlijnen

Een natuurbeheerplan is geen doel op zich maar een middel om in een bepaald terrein, beheerd ten behoeve van het natuurbehoud, bepaalde doelstellingen (i.v.m. ecologie, bosbeheer, landschap, cultuurhistorie, recreatie…) te realiseren. De essentiële vraag voor elk terrein is: wat zijn de belangrijke waarden, hoe wil je die behouden of ontwikkelen en welke maatregelen zijn daarvoor nodig?

Een natuurbeheerplan bestaat uit vijf delen:

  1. verkenning: een algemene beschrijving en een globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functie
  2. inventaris: een gedetailleerde beschrijving van de bestaande toestand, verzameling van de nodige terreininformatie om de doelstellingen concreet uit te werken en/of op te volgen
  3. beheerdoelstellingen
  4. beheermaatregelen om de beheerdoelstellingen te realiseren
  5. opvolging: een beschrijving van de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen zal worden opgevolgd en geëvalueerd

De centrale idee van het natuurbeheerplan is dat het de juiste informatie bevat om het beheer voor een terrein te onderbouwen en concreet uit te werken. De verzamelde informatie staat steeds in functie van wat het beheer wil bereiken. Een beheerplan hoeft dus niet alle bekende informatie van een gebied te verzamelen maar moet vooral aandacht geven aan wat echt relevant is voor het beheer.

Drie pijlers

Een duurzaam en evenwichtig beheer staat steeds centraal. Daarbij wordt rekening gehouden met drie pijlers, die overeenstemmen met de drie functies van een natuurterrein:

  • De ecologische functie: behoud van biodiversiteit, verbetering van milieukwaliteit of landschaps-ecologische integratie
  • De economische functie: het optimaal benutten van ecosysteemdiensten, de zogenaamde natuurvoordelen, zoals de duurzame levering van goederen en diensten, het in evenwicht brengen van kosten en baten
  • De sociale functie: andere dan ecologische en economische waarden, zoals erfgoedwaarden, belevings- en recreatieve waarde, landschappelijke waarden, de rol van het terrein voor het wetenschappelijk onderzoek

Vier types natuurbeheerplannen

Het natuurdecreet onderscheidt vier types natuurbeheerplannen, afhankelijk van het ambitieniveau voor de ecologische functie:

  • Type 1: behoud van de aanwezige natuurkwaliteit: De beheerder zorgt ervoor dat de aanwezige natuurkwaliteit en het natuurlijke milieu in stand gehouden worden en leeft de zorgplicht na (ND art. 14, §1: bij ingrepen in de natuur wordt vernietiging of schade zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of hersteld). Hij stelt geen specifieke natuurstreefbeelden tot doel.
  • Type 2: hogere natuurkwaliteit: De beheerder stelt over minstens 25% van de oppervlakte van het terrein het realiseren van één of meerdere natuurstreefbeelden tot doel. Voor het volledige terrein gelden de criteria voor geïntegreerd natuurbeheer
  • Type 3: hoogste natuurkwaliteit: De beheerder stelt over de volledige oppervlakte van het terrein het realiseren van één of meerdere natuurstreefbeelden tot doel. Met motivatie kan hiervan afgeweken worden voor ten hoogste 10% van de oppervlakte van het terrein. Voor het volledige terrein gelden de criteria voor geïntegreerd natuurbeheer.
  • Type 4: natuurreservaat: Aanvullend op de voorwaarden voor type 3 moet het terrein voldoen aan het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten (pdf - 100 KB) (zie bijlage 2 van het ontwerp-BVR Natuurbeheerplannen).

De beheerder kiest vrij welk type beheerplan hij wenst op te maken, behalve in volgende situaties:

  • Private terreinen, geheel of gedeeltelijk gelegen in VEN en/of in SBZ: minimaal type 2.
  • Alle openbare terreinen en natuurdomeinen: minimaal type 2.
  • Natuurdomeinen verworven met het oog op de realisatie van de Europese natuurdoelen: maximaal streven naar type 3 of 4.
  • In SBZ, binnen de zoekzones: natuurdomeinen, openbare terreinen en private terreinen, aangekocht met subsidies in uitvoering van het Natuurdecreet: maximaal streven naar type 3 of 4.

Natuurstreefbeelden

Voor de omschrijving van ecologische doelen in natuurbeheerplannen worden natuurstreefbeelden gebruikt. Een natuurstreefbeeld is een habitat, een ecosysteem of een landschapstype dat als ecologisch einddoel in een natuurbeheerplan wordt vooropgesteld. De natuurstreefbeelden waaruit gekozen kan worden om te voldoen aan de voorwaarden voor natuurbeheerplannen van type 2, 3 of 4 worden vastgelegd in bijlage 3 van het ontwerp-BVR natuurbeheerplannen (pdf - 56 KB).

Er zijn drie types natuurstreefbeelden:

A. Natuurstreefbeelden vegetaties

Natuurstreefbeelden voor vegetaties worden omschreven aan de hand van het aanwezige vegetatietype met de daarvoor kenmerkende plantensoorten.

De natuurstreefbeelden voor vegetaties worden opgesomd in de tabel onder deel A van bijlage 3 van het BVR Natuurbeheerplannen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • Europees te beschermen habitat: dit zijn vegetaties, die beschermd zijn als habitattype onder de habitatrichtlijn. Ze worden opgesomd in de bijlage I bij het natuurdecreet. Op Ecopedia vind je een beschrijving van deze habitats, met kort aanwijzingen voor het beheer en mogelijke bedreigingen.
  • Regionaal belangrijk biotopen (RBB): het betreft ecologisch zeer waardevolle vegetaties, die op Vlaams niveau zeldzaam zijn, maar geen Europees te beschermen habitat zijn. De RBB worden vermeld in de bijlage 4 bij het BVR natuurbeheerplannen (pdf - 350 KB). Op Ecopedia vind je een kwalitatieve beschrijving van deze vegetaties onder de overeenkomstige BWK-code. 
  • Andere waardevolle vegetaties: dit zijn botanisch goed ontwikkelde vegetaties, die geen Europees te beschermen habitat of RBB zijn. Op Ecopedia vind je een kwalitatieve beschrijving van deze vegetaties onder de overeenkomstige BWK-code.

Europees te beschermen habitat en RBB komen in natuurbeheerplannen type 2, 3 en 4 in aanmerking als natuurstreefbeeld. De ‘andere waardevolle vegetaties’ komen enkel voor de type 2 natuurbeheerplannen in aanmerking als natuurstreefbeeld.

B. Natuurstreefbeelden leefgebieden soorten

Een leefgebied van een soort omvat het geheel van habitats dat die soort nodig heeft tijdens een deel van of de gehele levenscyclus om te voorzien in haar behoeften inzake voeding, beschutting en voortplanting.

Een leefgebied van een soort komt in de volgende gevallen in aanmerking als natuurstreefbeeld:

  • Leefgebied van Europees te beschermen soorten, habitattypische soorten of soorten waarvoor een goedgekeurd soortenbeschermingsprogramma bestaat. Aanvullend op Europees te beschermen habitats en RBB komen andere vegetaties en kleine landschapselementen (KLE’s) in aanmerking als natuurstreefbeeld als ze overeenstemmen met de ecologische vereisten van de betrokken soort. Leefgebieden van deze soorten kunnen natuurstreefbeelden zijn voor beheerplannen type 2, 3 en 4.
  • Leefgebied van beschermde soorten overeenkomstig het Soortenbesluit, die niet Europees beschermd zijn. Bijlage 1 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 geeft een overzicht van alle soorten die in Vlaanderen beschermd zijn. Naast soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn bevat deze bijlage andere soorten die in Vlaanderen beschermd zijn. Leefgebied voor die soorten kan enkel natuurstreefbeeld zijn voor beheerplannen type 2.

De vereisten van het leefgebied voor Europees te beschermen soorten staan in de overeenkomstige tabellen voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding, terug te vinden in volgende rapporten van het INBO:

Voor bepaalde soorten kan ook een beroep gedaan worden op goedgekeurde soortenbeschermingsprogramma’s.

Raadpleeg de kaart 'Potentiële leefgebieden van soorten' om te weten of het zinvol is op een bepaald terrein als natuurstreefbeeld het leefgebied van een bepaalde soort voorop te stellen. Indien een terrein volgens die kaart potenties heeft als leefgebied voor een bepaalde soort, moet ook nog uit terreinwaarnemingen blijken of de soort effectief in de buurt aanwezig is en zich dus ook reëel kan vestigen op het terrein. Bij twijfel wordt daarover best overlegd met het ANB.

C. Natuurstreefbeelden procesgestuurde natuur

Bij procesgestuurde natuur beoogt men door het activeren van natuurlijke processen (water, wind, begrazing, successie…) natuurstreefbeelden te realiseren. 

Dit natuurstreefbeeld kan bestaan uit een combinatie van meerdere vegetaties of leefgebieden van soorten zoals vermeld onder A en B. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Mozaïeklandschappen: ontstaan door extensieve begrazing,
  • Onbeheerde climaxvegetaties: waarbij natuurlijke processen zoals getijdewerking, natuurlijke bosdynamiek, vegetatiedynamiek onder extensieve begrazing… een doel op zich zijn. De vegetaties zijn het resultaat van deze processen en kunnen veranderen in ruimte en tijd.

Criteria voor geïntegreerd natuurbeheer

De criteria voor geïntegreerd natuurbeheer  vormen een leidraad bij de opmaak van een natuurbeheerplan van type 2, 3 of 4 en bij het daaruit volgende beheer van het betreffende terrein.

De criteria voor geïntegreerd natuurbeheer worden gegroepeerd in 3 thema’s:

  1. het bereiken van een verhoogde of de hoogste natuurkwaliteit
  2. het rekening houden met de sociale rol van het terrein
  3. het op duurzame wijze omgaan met de levering van verschillende goederen en diensten

Deze criteria moeten op een redelijk en technisch verantwoorde wijze nageleefd worden, zonder dat op elk ogenblik en op elke plaats van het terrein aan elk van de criteria moet voldaan zijn.

Afwijken is mogelijk, op voorwaarde dat dit gemotiveerd wordt in het natuurbeheerplan, waarbij aangetoond wordt dat het criterium in kwestie niet toepasbaar of niet relevant is, en dat de afwijking de realisatie van de beheerdoelstellingen niet belemmert.