Natuurbeheerplan uitvoeren

Natuurbeheerplan uitvoeren

Eenmaal het natuurbeheerplan is goedgekeurd kan de beheerder alle beheermaatregelen die in het beheerplan voorzien zijn uitvoeren, zonder dit nog te moeten melden aan het ANB. Er is in bepaalde gevallen naast het Natuurdecreet toch nog andere regelgeving waar mogelijks rekening mee moet worden gehouden. Hieronder volgt een overzicht.

Wat met andere toepasselijke regelgeving?

Ontbossing in een natuurbeheerplan

Voor ontbossing geldt er specifieke regelgeving ontbossingverbod en boscompensatieplicht, die blijft gelden ook al is de ontbossing als beheermaatregel opgenomen in het natuurbeheerplan. 

Alleen als de ontbossing nodig is voor de realisatie van Europese natuurdoelen is de procedure voor ontbossing iets eenvoudiger:

  • geen voorafgaande ontheffing van het ontbossingsverbod;
  • een omgevingsvergunning  tot ontbossing is wel nodig voor ontbossingen voorzien in  natuurbeheerplannen van type één, twee of drie. Enkel in een natuurreservaat (type 4) is er vrijstelling van omgevingsvergunningsplicht. (Bosdecreet,  art. 47);
  • vrijstelling van de boscompensatieplicht.

In het goedkeuringsbesluit van het natuurbeheerplan wordt expliciet vermeld of de ontbossing kan gemotiveerd worden als ‘nodig voor de realisatie van Europese natuurdoelen’, en of er al dan niet ontheffing van het ontbossingverbod, een omgevingsvergunning en boscompensatie nodig is.

Veldwetboek - bebossingsvergunning van de gemeente

Voor bebossing van grond met een agrarische bestemming is er een gemeentelijke bebossingsvergunning van het College van Burgemeester en Schepenen (Veldwetboek art. 35 bis § 5). De goedkeuring van een natuurbeheerplan waarin de bebossing opgenomen leidt niet tot vrijstelling van deze vergunningsplicht.

Zowel private eigenaars als openbare eigenaars moeten deze vergunning aanvragen.

Het Schepencollege moet deze vergunning verlenen binnen de 30 kalenderdagen na de indiening van de aanvraag. Neemt het college binnen 30 kalenderdagen geen beslissing, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. Als het College de vergunning weigert, kan je binnen een maand na de kennisgeving in beroep gaan bij de Deputatie.

Onroerend erfgoed - toelating  in beschermd onroerend erfgoed

Toelating in beschermd onroerend erfgoed: er is geen aparte toelating nodig omdat het natuurbeheerplan voor advies voorgelegd wordt aan het agentschap Onroerend Erfgoed. Eventuele voorwaarden vanuit Onroerend erfgoed kunnen in het goedkeuringsbesluit opgenomen worden.

Onroerend erfgoed - archeologienota

Bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem  moet er in bepaalde gevallen een bekrachtigde archeologienota bij de vergunningsaanvraag gevoegd worden.

Meer informatie en een beslissingsboom vind je op de website van Agentschap onroerend erfgoed.

Deze verplichting geldt niet voor werken die vergund worden  via het natuurbeheerplan en vrijgesteld zijn van omgevingsvergunningsplicht.

MER-plicht

Natuurbeheerplannen houden een vrijstelling in van diverse vergunningen/machtigingen waardoor zij op zich als een vergunning beschouwd moeten worden en waarvoor bijgevolg de project-MER-regelgeving moet toegepast worden.

Om te bepalen of een project-MER, een ontheffing, een project-MER-screening of geen project-milieueffectrapportage vereist is, moet vooraleer het natuurbeheerplan voor goedkeuring wordt ingediend nagegaan worden of het natuurbeheerplan een vrijstelling verleent/afwijking voorziet op een verbodsbepaling, voor een project vermeld in de bijlagen van de project-MER-regelgeving:

  • Houdt het natuurbeheerplan een vergunning in voor een project van bijlage II van het BVR van 10 december 2004, dan kan een ontheffing van de MER-plicht gevraagd worden. Als die ontheffing niet toegestaan wordt is een project- MER vereist:

    1d.
     Eerste bebossing voor zover de oppervlakte 10 ha of meer bedraagt.
     Ontbossing met het oog op de omschakeling naar een ander bodemgebruik voor zover de oppervlakte 3 ha of meer bedraagt en voor zover artikel 87 van het Bosdecreet niet van toepassing is. 

    10e
       Aanleg van verharde wegen die over een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied zijn gelegen. 
     

  • Houdt het natuurbeheerplan een vergunning in voor een project van bijlage III van het BVR van 10 december 2004, dan moet er een project-MER-screening gebeuren. In deze screening toont de initiatiefnemer aan dat zijn project geen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor mens en milieu, en dat de opmaak van een milieu-effectrapport (MER) niet vereist is. Indien de conclusie van de screening is dat er wel aanzienlijke gevolgen zijn voor mens en milieu, moet er toch een project-MER opgemaakt worden:

    1d.
    >   eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)

Houdt het natuurbeheerplan geen vergunning in voor een project van de bijlagen dan is geen project-milieueffectrapportage vereist.

Meer info over de procedures rond MER vind je op de website van departement omgeving.

OVAM - grondverzetsregeling

Als in het natuurbeheerplan inrichtingswerken met grondverzet voorzien zijn , dan is mogelijks de grondsverzetregeling van toepassing en moet er bijgevolg een bodemonderzoek uitgevoerd worden, waarvan een technisch verslag gemaakt moet worden door een erkend bodemsaneringsdeskundige.

  • Is het volume uitgegraven bodem > 250 m³ moet er steeds een technisch verslag opgemaakt te worden.
  • Is het volume uitgegraven bodem < 250 m³ en vindt de uitgraving plaats op een niet verdachte grond, dan moet geen technisch verslag opgemaakt te worden.  
  • Is het volume uitgegraven bodem < 250 m³ maar de uitgraving vindt plaats op een verdachte grond, dan dient een technisch verslag opgemaakt te worden, behalve indien de uitgegraven bodem binnen de kadastrale werkzone als bodem volgens een code van goede praktijk wordt gebruikt.
  • Voor iedere partij gestockeerde uitgegraven bodem die > 250 m³ is, moet een technisch verslag opgemaakt worden. Deze verplichting geldt voor iedere partij samengesteld uit verschillende partijen uitgegraven bodem < 250 m³ waarvoor er geen verplichting tot technisch verslag was, en ook voor een partij > 250 m³ die in verschillende partijen kleiner dan 250 m³ wordt afgevoerd en gebruikt.


Watertoets

De watertoets is een instrument waarmee de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma inschat welke de impact ervan is op het watersysteem. Het resultaat van de watertoets wordt als een waterparagraaf opgenomen in de vergunning of in de goedkeuring van het plan of het programma.

Toegepast op een natuurbeheerplan:  het ANB zal voorafgaand aan de goedkeuring van het natuurbeheerplan de watertoets uitvoeren en indien nodig advies vragen aan de betrokken waterbeheerder.  Ook de opsteller van het natuurbeheerplan kan de webtoepassing watertoets gebruiken om van bij het ontwerp van het natuurbeheerplan rekening te houden met het watersysteem.