Subsidieregelingen dossiers goedgekeurd tot eind 2014

Subsidieregelingen dossiers goedgekeurd tot eind 2014

 

Wie kan subsidie aanvragen?

  • Publiekrechtelijke rechtspersonen
  • Privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen
  • Pachters

Subsidievoorwaarden

Er moet aan drie voorwaarden voldaan worden:

  • Je moet minstens een halve hectare landbouwgrond bebossen die in het Vlaamse Gewest gelegen is. Die oppervlakte moet niet aaneengesloten zijn en kan uit ruimtelijk gescheiden deeloppervlakten bestaan van minstens 10 are, op voorwaarde dat die maximaal 1 kilometer in vogelvlucht van elkaar gescheiden zijn.
  • De grond moet tijdens de laatste vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag minimaal 1 jaar in landbouwgebruik geweest zijn.
  • Het terrein moet voor minstens 25 jaar bebost blijven. Uitzondering is de beplanting met populier. Deze aanplant moet 15 jaar blijven staan.

Een subsidie kan verleend worden voor beplanting, bezaaiing of natuurlijke verjonging.

Hoe wordt het subsidiebedrag bepaald?

Het subsidiebedrag is de som van drie types subsidies:

Aanplantingssubsidies

Basissubsidie: subsidie als tegemoetkoming voor de aanplantingskost, dit bedrag varieert naargelang de aangeplante boomsoort.

Boomsoort  Basissubsidie (per ha)  Minimaal stamtal per ha  
Zomereik
Wintereik
€3700/ha  2000
2000
Es
Beuk
€3000/ha   1600
1600
Zoete kers
Haagbeuk
Linde
Zwarte Els
Berk
€2500/ha 1600
2000
2000
2000
2000
Gewone esdoorn
Wilg
Ratelpopulier
Grauwe abeel
Grove den
€2000/ha   1600
2000
1600
123
2500
Walnoot
Abeel
€1500/ha  625
123
Cultuurpopulier met onderetage €1000/ha 123
Cultuurpopulier zonder onderetage

€850/ha 

123


Plantverbanden:
2500 = plantverband: 2m*2m
2000= plantverband: 2m*2,5m
1600: plantverband: 2,5m*2,5m
625=plantverband: 4m*4m
123=plantverband: 9m*9m

Je kan ook kiezen voor natuurlijke verjonging (minimum 2 500 planten per ha). Deze mag maximaal 5 jaar oud zijn op het moment van aanvraag.

Wie geconfronteerd wordt met veel sterfte door de essenziekte dient - om in aanmerking te komen voor uitbetaling van de subsidie - in te boeten (best met andere soorten) of gebruik te maken van natuurlijke verjonging. 

Subsidie voor onderetage: je ontvangt een extra subsidie van € 500/ha bij de aanplant van een onderetage onder volgende voorwaarden:

  • Als bij een plantverband van 3 meter op 3 of ruimer, waarbij met akkoord van de ambtenaar plantsoen wordt gebruikt dat daartoe specifiek geselecteerd en gekweekt werd, door bijmenging van boom- of struiksoorten, een plantverband van 3 meter op 3 of dichter bereikt wordt.
  • Als bij een plantverband kleiner dan 3 meter op 3, 10 tot 25% van het hoofdbestand stamsgewijs gemengd wordt met andere boom- of struiksoorten. Minder dan 10% van het hoofdbestand mag stamsgewijs vervangen worden door andere boom- of struiksoorten, zonder dat het subsidiebedrag per klasse en per ha, gewijzigd wordt.

Subsidie voor mantelstruweel of brandsingel: wanneer bij de bebossing van loofhout een rand met struiken wordt aangelegd of bij de aanplant van naaldhout een rand met loofhout aangelegd wordt, ontvang je een supplement van €100 per 100 meter.

Volgende boom- en struiksoorten komen in aanmerking voor subsidiëring als onderetage, mantelstruweel en brandsingel:

Andere meidoornsoorten, berk, beuk, duindoorn, eenstijlige meidoorn, es, fladderiep, Gelderse roos, gewone esdoorn, grauwe abeel, grove den, haagbeuk, hazelaar, hulst, jenerverbes, kardinaalsmuts, lijsterbes, linde, mispel, olm, ratelpopulier, rode kornoelje, sleedoorn, Spaanse Aak, taxus, vlier, vogelkers, vuilboom, wegedoorn, wilde appel, wilde peer, wilde rozen, wilg, wintereik, zoete kers, zomereik, zwarte els

Subsidie voor aanbevolen herkomsten: wordt er een aanplant uitgevoerd met aanbevolen herkomsten dan ontvang je een supplement van €250/ha.

De subsidie wordt berekend als: aandeel aanbevolen plantsoen op het totale aantal x beplante oppervlakte.

Aanbevolen herkomsten zijn geselecteerd uit de erkende herkomsten (die met een leveranciersdocument verkocht worden). Het zijn nakomelingen van bomen die getoond hebben dat ze in onze streken goed groeien en goede bosbouwkundige eigenschappen hebben. Ook autochtone bomen en struiken staan op deze lijst. Ook alle plantsoen met Plant van Hier-label (www.plantvanhier.be ) wordt als aanbevolen herkomst beschouwd. Meer informatie over aanbevolen herkomsten vind je in de folder over aanbevolen herkomsten op http://contactpunt.inbo.be. Hierin is ook de recentste lijst van aanbevolen herkomsten opgenomen.

Herkomstattest of leveranciersdocument
Voor de meeste boomsoorten heb je een leveringsdocument (vroeger ook wel herkomstattest genoemd) nodig. Dit is een wettelijk verplicht document dat de verkoper/boomkweker moet afleveren voor bosbouwkundig teeltmateriaal. Bij de bestelling van het plantgoed zeg je duidelijk aan de boomkweker dat je het plantgoed wil gebruiken om een bos aan te leggen en dat je zo’n attest nodig hebt. Je moet het attest als bijlage bij het betalingsformulier voegen, anders kan de subsidie niet uitbetaald worden.

Zo’n attest heb je nodig voor de volgende boomsoorten: zomereik, wintereik, beuk, es, zoete kers, haagbeuk, zomerlinde, winterlinde, zwarte els, ruwe berk, zachte berk, gewone esdoorn, ratelpopulier, cultuurpopulier, grauwe abeel en grove den. Momenteel is geen plantsoen van grauwe abeel en ratelpopulier in de handel verkrijgbaar met een leveranciersdocument.

Heb je het plantsoen zelf gekweekt, dan moet je dat ten laatste twee maanden voor je begint te planten laten controleren door het Agentschap voor Natuur en Bos. Je deelt ook alle informatie mee over de herkomst van het zaaigoed of de stekken. Het is immers belangrijk dat je plantsoen van goede kwaliteit gebruikt. Anders loop je het risico dat de aanplanting mislukt en je de subsidies niet uitbetaald krijgt.

Onderhoudssubsidie

Deze subsidie geldt enkel voor private personen en dekt de onderhoudskosten gedurende de eerste 5 jaar.
Het jaarlijkse bedrag is afhankelijk van de gebruikte boomsoort en varieert van €175/ha tot €350/ha.

  • Voor een bebossing met loofbomen: € 350 per ha/jaar
  • Voor een bebossing met naaldbomen: € 175 per ha/jaar
  • Voor een bebossing met populier: € 220 per ha/jaar

Inkomenscompensatie

Deze geldt enkel voor private personen en dekt het inkomensverlies ten gevolge van de bebossing. Er wordt een onderscheid gemaakt naar het type aanvrager enerzijds en de aard van de bebossing anderzijds.

Als landbouwer ontvang je bij de aanplant van inheemse soorten, gedurende 15 jaar, een jaarlijks bedrag van € 665/ha; bij de aanplant van cultuurpopulier ontvang je jaarlijks een bedrag van € 375/ha en dit gedurende vijf jaar.

Een landbouwer is de persoon die een land- of tuinbouwbedrijf exploiteert met een arbeidsbehoefte van minimaal 0,5 en maximaal 10 volle arbeidskrachten (VAK) per bedrijfsleider. De landbouwer kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. De natuurlijke persoon of de beherende vennoot, zaakvoerder of afgevaardigd bestuurder van de rechtspersoon moet minstens 50 % van zijn totale arbeidsduur besteden aan de werkzaamheden op het land- of tuinbouwbedrijf en minstens 35 % van zijn totale inkomen uit die activiteit halen. 

Voor andere privaatrechtelijke personen bedraagt de compensatie bij de aanplant van inheemse soorten € 150 per ha/jaar voor een termijn van 15 jaar. Bij de aanplant van cultuurpopulier, walnoot of abeel ontvangt u € 150 per ha/jaar voor een termijn van slechts vijf jaar.

Betalingen

De uitbetaling van de aangevraagde subsidie verloopt in verschillende fases.

  • De eerste uitbetaling moet je zelf aanvragen. Na goedkeuring van het dossier ontvang je samen met de brief van kennisgave van toekenning van de subsidie, een aanvraagformulier voor de uitbetaling van de eerste schijf. Dit betreft 60% van de aanplantingssubsidie. Dit bedrag wordt uitbetaald na ontvangst van het ingevulde aanvraagformulier en na een terreincontrole.
  • Ten vroegste 3 jaar en uiterlijk 4 jaar na de uitbetaling van de eerste schijf kan een controle georganiseerd worden voor de definitieve aanvaarding van de werkzaamheden en dit geeft aanleiding tot de uitbetaling van de tweede schijf.

De uitbetaling van de inkomenscompensatie en onderhoudssubsidie gebeurt door het Agentschap voor Landbouw en Visserij (ALV). ALV stuurt het jaar na de uitbetaling van de eerste schijf een betalingsaanvraag naar de begunstigde in de vorm van de verzamelaanvraag. Hierop staat jouw bebossing ingetekend. Hoe dit document wordt ingevuld, kan je nalezen in het document ‘Toelichting bij de verzamelaanvraag’. Dit document ontvang je met de verzamelaanvraag. Dien de verzamelaanvraag zeker tijdig in, zoniet wordt je subsidiebedrag verlaagd wegens laattijdige aangifte.

Het is sinds 2017 niet meer mogelijk om vrijstelling van aangifteplicht te krijgen. De verzamelaanvraag moet dus jaarlijks ingediend worden om de uitbetaling van de inkomenssteun aan te vragen.

Iedere private persoon die een subsidie bebossing van landbouwgronden aanvraagt moet een landbouwer- en exploitatienummer aanvragen. Dit nummer moet je ten laatste aanvragen op het moment van de terreincontrole voor uitbetaling van de 1ste schijf. Je krijgt hiervoor de nodige formulieren toegestuurd.

Controles

Naast de administratieve controles voeren de natuurinspecteurs van het Agentschap voor Natuur en Bos jaarlijks - voor de Europese cofinanciering van deze subsidie - door een steekproef terreincontroles uit op de uitbetaalde aanplantingssubsidie. 

Agentschap voor Landbouw en Visserij voert gelijkaardige controles uit voor de inkomenscompensatie en onderhoudssubsidie. Tijdens deze steekproeven wordt de aanplanting grondig gecontroleerd. Wanneer na deze controle blijkt dat de oppervlakte meer dan 3% (met een minimum van 0,1 ha) lager is dan de oppervlakte waarvoor je uitbetaling aanvraagt, zijn wij, conform de Europese richtlijn, verplicht een korting toe te passen op de subsidie.

Adviezen en vergunningen

Voor het bebossen van grond met een agrarische bestemming is er een gemeentelijke bebossingsvergunning nodig van het College van Burgemeester en Schepenen (Veldwetboek art. 35 bis § 5). Zowel private eigenaars als openbare eigenaars moeten deze vergunning aanvragen.

Enkel gemeentebesturen zijn hiervan vrijgesteld, maar dienen wel een positieve beslissing te nemen over de bebossing.

Het Schepencollege moet deze vergunning verlenen binnen de 30 dagen na de indiening van de aanvraag. Neemt het college binnen 30 dagen geen beslissing, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. Als het College de vergunning weigert, kan men binnen een maand na de kennisgeving in beroep gaan bij de Deputatie. Gemeentebesturen die subsidies voor het bebossen van landbouwgronden of subsidies voor het aankopen van te bebossen gronden aanvragen, dienen wel een collegebeslissing te nemen over de bebossing.

Voortaan wordt de adviesverlening door ADLO gekoppeld aan deze vergunning. Het advies wordt gevraagd door de vergunningverlenende gemeente en moet worden verleend binnen een termijn van 20 dagen. Bij gebrek aan advies binnen de 20 dagen, wordt het geacht gunstig te zijn. Het advies is niet bindend, maar is nu ook nodig voor openbare bossen. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos bij bebossing op private gronden valt weg.

Onafhankelijk van de ruimtelijke bestemming van de grond bepalen de uitvoeringsbesluiten op het Natuurdecreet dat het verboden is de volgende vegetaties of kleine landschapselementen te wijzigen:

  • holle wegen
  • graften (sterke knikken in het reliëf van hellinggronden; meestal begroeid met bomen of struiken)
  • bronnen
  • historisch permanent grasland, met in begrip van het daaraan verbonden microreliëf en poelen gelegen in groengebieden, parkgebieden, buffergebieden en bosgebieden of in een beschermd landschap of in het beschermingsgebied Poldercomplex (BE 2500932) en het Zwin (BE2501033), voor zover er voor deze gebieden geen afwijkende instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd.
  • vennen en heiden
  • moerassen en waterrijke gebieden
  • duinvegetaties

Van dit verbod kan uitzonderlijk een individuele afwijking toegestaan worden door het Agentschap voor Natuur en Bos. De aanvraag wordt ingediend bij de provinciale dienst van het Agentschap voor Natuur en Bos, die het met haar advies aan het afdelingshoofd beleid voorlegt.

Wanneer op het te bebossen terrein geen van de hierboven vermelde vegetaties of kleine landschapselementen aanwezig zijn, moet onderzocht worden of er eventueel een natuurvergunning nodig is:

In groene en geel-groene gebieden volgens het gewestplan, plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, in beschermde duingebieden volgens het duinendecreet, en in Vogel- en Habitatrichtijngebieden en RAMSAR-gebieden is er een natuurvergunning nodig wanneer de bebossing zal leiden tot:

  • Vernietiging, beschadiging of doen afsterven van de aanwezige vegetatie.
  • Wijzigen van het reliëf.
  • Wijzigen van de waterhuishouding
  • Wijzigen van historisch permanente grasland met inbegrip van het daaraan verbonden microreliëf en poelen, indien deze gelegen zijn in valleigebieden, brongebieden, natuurontwikkelingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of met bijzondere waarde, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Ramsar-gebieden voor zoverre het historisch permanent grasland binnen deze perimeter als habitat is opgenomen.
  • Rooien of verwijderen en het beschadigen van houtachtige beplantingen.
  • Wijzigen van de vegetatie horende bij de kleine landschapselementen met inbegrip van het wijzigen van vegetatie van perceelsrandbegroeiingen en sloten.

Voor de laatste 2 werken dien je ook in het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON) en de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden een natuurvergunning aan te vragen.

Als het terrein gelegen is in het VEN kan het Agentschap voor Natuur en Bos een individuele ontheffing van de verboden in VEN verlenen, voor zover er uitdrukkelijk voldaan is aan de zorgplicht opgelegd door artikel 14 en 16 van het natuurdecreet.

Als het terrein in een speciale beschermingszone (SBZ) ligt, moet in toepassing van art 36ter, §3 van het Natuurdecreet de initiatiefnemer bij het aanvragen van een vergunning of ontheffing voor de bebossing of aanleg van kleine landschapselementen aantonen dat de werken niet zullen leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van die SBZ. Op deze wijze wordt gemotiveerd en geëxpliciteerd dat een aparte ‘passende beoordeling’ niet nodig is.