Definitie bos

Definitie bos

Of een groep bomen als bos wordt gedefinieerd, wordt bepaald door de aanwezigheid van bomen of struiken enerzijds en de aanwezigheid van een boseigen fauna en flora anderzijds. De ruimtelijke bestemming speelt geen rol bij de bepaling of een vegetatie als bos wordt gedefinieerd.  Ook de oppervlakte speelt geen rol!

Volgende vegetaties worden in Vlaanderen nooit als bos beschouwd:

  • fruitboomgaarden en fruitaanplantingen;
  • boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen;
  • sierbeplantingen en plantsoenen;
  • naaldboomaanplantingen met een gemiddelde maximale hoogte van 4 meter die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop als kerstboom;
  • de korte-omloop-houtteelt (KOH) waarvan de aanplant plaatsgevonden heeft op gronden gelegen buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden. KOH is een teelt van snelgroeiende houtige gewassen die met zeer korte omlooptijden (max. 8 jaar) geoogst worden. Aanplantingen van bijvoorbeeld populier en wilg met omlooptijden van 2 à 5 jaar en bestemd voor de energiewinning of aanplantingen met als doel vezelproductie voor papier of productie van biomassa met een omlooptijd tot 8 jaar worden bijgevolg niet als bos beschouwd.
  • de wissenteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst. Ook hier wordt met zeer korte rotaties gewerkt en is het hoofddoel productie van wissen.
  • agroforestry of boslandbouwsystemen waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen gebeurde na 1 juni 2012.


Volgende vegetaties worden in Vlaanderen altijd als bos beschouwd:

  • de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren;
  • niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals boswegen, brandwegen, aanpalende of binnen het bos gelegen stapelplaatsen, dienstterreinen en ambtswoningen;
  • de aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, o.m. die van populier en wilg, uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt (KOH) op gronden gelegen buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Homogene aanplantingen van cultuurpopulieren zijn bijgevolg bos tenzij ze ook in gebruik zijn als landbouwgrond (graasweide of hooiweide) en beschouwd kunnen worden als boslandbouwsysteem (agroforestry);
  • de grienden, uitgezonderd de wissenteelt met korte rotaties en productie als hoofddoel;
  • aanplantingen met naaldbomen met een gemiddelde hoogte groter dan 4 meter;
  • hakhoutculturen: hakhout is een beheervorm van bos en wordt dus als bos beschouwd;
  • struwelen, waarbij we enkel houtachtige struikvegetaties aantreffen en geen bomen, worden als bos beschouwd. Voorbeelden zijn: gagelstruweel, vochtig wilgenstruweel op venige of zure grond, zuur duinbos, duindoornstruweel, brem- en gaspeldoornstruweel, doornstruweel, spontaan struweel van allerlei aard, vochtig, meso- tot eutroof wilgenstruweel, …  Heide wordt in deze context niet beschouwd als struikachtige vegetatie.


Volgende vegetaties worden in Vlaanderen soms als bos beschouwd:

  • open plekken: open plekken kleiner dan 3 hectare die voor de helft omgeven worden door bos, worden als bos beschouwd. Open stroken en recreatieve uitrustingen binnen het bos worden ook als bos beschouwd.
  • tuinen en parken: een aangelegde tuin (de grasperken, borders en sierplanten) bij een woning in het bos wordt niet als bos aanzien. De delen van de tuin die met bomen bezet zijn en waartoe een boseigen fauna en flora behoort, worden wel als bos aanzien!
  • lijnbeplantingen, houtkanten, dreven en met bomen begroeide langwerpige percelen:
    • lijnbeplantingen onder de vorm van enkele of dubbele bomenrijen, al dan niet langs een (water)weg, zijn geen bos;
    • houtkanten onder meer langs wegen, rivieren en kanalen zijn evenmin bos;
    • dreven en houtkanten die langs beide zijden door bos omgeven zijn en als een onderdeel van het bos beheerd worden, worden als bos beschouwd. Enkel wanneer de dreefbomen horen bij de weg, kanaal of rivier die een ander beheer kent dan het omliggende bos kan er eventueel sprake zijn van een lijnbeplanting. Bijvoorbeeld: een openbare weg met dreefbomen, waarlangs enkele percelen door particuliere eigenaars bebost worden.
    • strookvormige percelen over een breedte van ten minste 10 meter (gemeten aan de buitenkant van de buitenste stammen) die begroeid zijn met bomen en minstens drie bomenrijen breed zijn. Dit betekent dat in theorie het kleinst mogelijke bosje een oppervlakte heeft van 10 m x 10 m.
  • perceel met bomen, bv. een weide: een perceel met bomen kan in bepaalde gevallen als bos worden beschouwd. Het criterium dat gebruikt wordt om dit te bepalen is de bedekkingsgraad. Dit is de verhouding van de totale oppervlakte van alle kroonprojecties ten opzichte van de totale bosoppervlakte. Als die groter is dan 50%, geprojecteerd naar volgroeid stadium, dan spreken we van een bos. Bij een bedekkingsgraad <50% is er sprake van een open vegetatie al dan niet met verspreide bomen (bv. heide met vliegden) (geen bos) , of een open plek binnen het bos (dat wel als bos wordt aanzien als het max. 3 hectare groot is en voor de helft omgeven is met bos).  
  • nieuwe aanplantingen of jonge zaailingen met als richtwaarde 50% bedekking of min. 2500 zaailingen/hectare.
     

Wetgeving
De wettelijke bepalingen rond definitie bos zijn te vinden in het Bosdecreet van 13 juni 1990, met name in artikel 3
Agroforestry wordt gedefinieerd als systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en het landbouwbeleid en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen gebeurde na het inwerking treden van het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.