Kapvergunning

Inhoudelijke criteria

Het Agentschap voor Natuur en Bos onderzoekt elke aanvraag om in bossen bomen te kappen. Hierbij heeft het ANB de bevoegdheid om de machtiging te weigeren of toe te staan mits het naleven van voorwaarden.

Bij het invullen van de aanvraag houd je best al rekening met de criteria en aspecten die het ANB hanteert bij zijn beoordeling, namelijk:

A. Kappingen in bospercelen gelegen in het VEN: check criteria voor duurzaam bosbeheer 
B. Kappingen in bospercelen gelegen in een speciale beschermingszone (SBZ) 
C. Algemene inhoudelijke criteria 

A. Kappingen in bospercelen gelegen in het VEN: check criteria voor duurzaam bosbeheer 

In het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) moet een bosbeheerder de criteria voor duurzaam bosbeheer toepassen. Dit houdt in dat kappingen in bossen geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur mogen toebrengen.

Concreet betekent dit dat een beheerder van bossen in VEN:

  • aandacht moet hebben voor de culturele, landschappelijke, geschiedkundige of religieuze betekenis van het bos of delen ervan;
  • geen ingrijpende wijzigingen in het bosbeheer (bv. creëren open plek, omschakeling naar korte omloophoutteelt) mag doorvoeren. Wil de beheerder dit wel doen dan is er een beheerplan nodig;
  • het zorg- en standstill-principe moet respecteren. Hij moet er dus zorg voor dragen dat er zo weinig mogelijk schade wordt toegebracht aan de natuur en dat de natuurkwaliteit en –kwantiteit er niet mag op achteruit gaan;
  • maximaal 1 ha mag kaalkappen, tenzij bij directe omvorming van exotenbestanden of populier;
  • per bestand enkele bomen moet behouden die oud mogen worden.

Wat de exploitatie betreft, moet een beheerder zich houden aan volgende afspraken:  

  • geen olieverversing in het bos;
  • alleen biologisch afbreekbare olie gebruiken;
  • aandacht hebben voor aanwezigheid zeldzame plant- of diersoorten en specifieke natuurelementen;
  • de standaardschoontijd of aangepaste schoontijd respecteren;
  • streven naar meer dood hout en bij voorkeur een hoogdunning toepassen.

Bij de herbebossing:

  • wordt uitgaande van het standstill-principe, gebruik gemaakt van  standplaatsgeschikte soorten en aanbevolen herkomsten, indien beschikbaar;
  • wordt bodembewerking beperkt;
  • wordt niet bemest;
  • kiezen we voor omvorming van alle homogene aanplantingen van exoten op lange termijn;
  • kan populier heraangeplant worden als onderetage bestaat ui inheemse soorten;
  • zijn exoten niet toegelaten tenzij er VEN-ontheffing voor wordt bekomen en er minstens 30% bijmenging van inheemse soorten is.

Deze principes kunnen vertaald worden naar bijzondere voorwaarden in de kapmachtiging: 

  • exploitatievrije zone 
  • rupsbanden 
  • werken met lier, paard 
  • vrijwaren oevers 
  • vaste ruimingspistes 
  • schoontijd 
  • vochtigheid bodem 

Bij ligging in het VEN is het gebruik van bestrijdingsmiddelen verboden, tenzij mits het bekomen van een individuele VEN-ontheffing. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt enkel toegestaan voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers of andere agressieve exoten met gespecificeerde voorwaarden. In dat geval wordt er tegelijk met de kapmachtiging ook een VEN-ontheffing verleend. 

In openbare bossen gelden bovendien de verplichtingen van het decreet van 31/01/2002 houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten en het BVR van 19/12/2008. Hier moet het gebruik van bestrijdingsmiddelen voorzien zijn in het reductieplan opgesteld in toepassing van dit decreet. 

B. Kappingen in bospercelen gelegen in een speciale beschermingszone (SBZ) (meer over SBZ zie www.natura2000.vlaanderen.be

In toepassing van het Natuurdecreet mag de overheid geen machtiging verlenen indien de aangevraagde kapping een betekenisvol effect kan hebben op de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Indien nodig wordt een mogelijk effect vermeden door het opleggen van milderende maatregelen onder de vorm van voorwaarden in de kapmachtiging. 

Zo mag de boomsoortenkeuze bij heraanplanting niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Heraanplanting met niet standplaatsgeschikte soorten kan om die reden geweigerd worden. 

C. Algemene inhoudelijke criteria 

C.1 criteria mbt de kapping 

De hiernavolgende criteria gelden zowel in VEN en SBZ als erbuiten. Als de hiervoor vermelde criteria in VEN of SBZ strenger zijn dan wat hierna volgt, dan primeren ze. 

Eindkapping (kaalkap en groepsgewijze eindkap)  

Kaalkap veroorzaakt een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moet dan ook vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping of schermkap geniet de voorkeur. De maximum aaneengesloten oppervlakte voor kaalkap of groepsgewijze eindkap bij cultuurpopulier, Amerikaanse eik, grove en Corsicaanse den, lork bedraagt 3 ha. Bij de heraanplanting kan groepsgewijze menging van verschillende klonen of soorten opgelegd worden. Voor cultuurpopulier kan afhankelijk van de locatie uitzonderlijk een aaneengesloten kaalkap van meer dan 3 ha toegestaan worden, gekoppeld aan voorwaarden voor heraanplanting, zoals bv. beplanting met verschillende klonen, omzetting naar minstens 10% inheems loofhout, behoud van natuurlijke verjonging enz. Bij al dan niet met exoten gemengd inheems loofhout is de maximum aaneengesloten oppervlakte voor kaalkap 1 ha. Voor de omvorming van een homogeen bestand naar een gemengd meer structuurrijk bestand, kan deze maximumoppervlakte verhoogd worden tot 3 ha. 

Meerdere kaalkappen verspreid over het bos zijn slechts toegestaan indien de onderlinge afstand minstens 100 m bedraagt. Voor zover een bosbeheerplan wettelijk vereist is, kunnen meerdere kaalkappen in één bos enkel via een bosbeheerplan geregeld worden. Kaalkappen die op minder dan 100 m van elkaar liggen in eenzelfde bosdomein kunnen slechts uitgevoerd worden met een tussentijd van minstens 3 jaar. 

De diameter waar bomen als ‘kaprijp’ beschouwd worden, is afhankelijk van de beheerdoelstellingen en de houtmarkt. De bosbeheerder kan zelf de ‘kapbaarheid’, meer bepaald de na te streven doeldiameter, bepalen. Bij voorstellen voor extreem vroege kaalkappen (bv. voor de oogst van biomassa) wordt onderzocht wat de effecten zijn op de ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde van het bos. Bij negatieve impact kan de voorgestelde kap geweigerd worden. 

Bomen en struiken die opgenomen zijn in de inventaris van autochtone bomen en struiken mogen niet gekapt worden. 

Dunning  

De dunning is een selectieve kapping die wordt uitgevoerd om de overblijvende bomen in het bos meer groeiruimte te geven. Dunningen die enkel houtoogst tot doel hebben, met degradatie van het bestand tot gevolg kunnen geweigerd worden. 
In de kapmachtiging wordt het maximaal toegestaan dunningspercentage vastgelegd. Voor het dunningspercentage wordt gewoonlijk gewerkt met percentage (%) van het grondvlak. Een percentage van het stamtal is ook aanvaardbaar omdat dit makkelijker is voor de eigenaar. 
In de voorwaarden van de kapmachtiging kunnen nog verdere instructies opgenomen worden. Zo zal meestal een ‘hoogdunning’ toegestaan worden wat betekent dat de beste bomen in het bestand bevoordeeld worden door de rechtstreekse concurrenten te kappen. Deze dunning grijpt in in de bovenetage. Het bos blijft gevarieerd omdat de onderetage en het dode hout blijven staan, wat de natuurwaarde van het bos verhoogt. 
Een andere methode wordt de ‘toekomstboommethode’ genoemd. Dit is een vorm van hoogdunning of gemengde dunning waarbij al vroeg wordt bepaald welke bomen het eindbestand zullen vormen. Deze bomen worden gemarkeerd (meestal met blauwe stip), en de dunning gebeurt in functie van deze bomen. Bij toepassen van de toekomstboommethode kan de dunningsintensiteit ook uitgedrukt worden in termen van percentage (%) vrijstelling van de toekomstbomen. 

Hakhoutkapping 

Een hakhoutkapping wordt enkel toegestaan bij voor hakhout geschikte soorten, (eik, els, es, wilg, berk, linde, tamme kastanje) en bv. niet voor populier, beuk en naaldhout. Om een duidelijk onderscheid te behouden met korte-omloop-houtteelt (meer info hierover in richtlijn definitie bos) bedraagt de omlooptijd minstens 8 jaar. 

Jaarlijkse brandhoutkappingen 

In de machtiging wordt het jaarlijkse aantal te kappen bomen of het gekapt volume vastgelegd. Wanneer er in één jaar meer gekapt wordt, kan er het volgende jaar niet meer gekapt worden. 

C.2 criteria m.b.t. de ecologische en landschappelijke functie 

Het toestaan van de gevraagde kapping kan worden gekoppeld aan de naleving van bindende voorwaarden zoals: 

Schoontijd: dit is de periode waarin in het bos niet geëxploiteerd en geruimd mag worden omwille van de broedperiode van vogels, de aanwezigheid van andere beschermde diersoorten, de bloeitijd van kwetsbare vegetaties of om andere ecologische redenen. Deze periode loopt normaal gezien van 1 april tot 30 juni, maar kan aangepast worden aan de plaatselijke situatie. 

  • Beperking van exploitatie i.f.v. bodemkenmerken: Om te veel schade aan de bosbodem te vermijden kunnen voorwaarden opgelegd worden als: 
    • uitslepen gevelde bomen met lier van op de bosweg 
    • uitslepen met paard 
    • uitslepen via vaste uitsleeppistes 
    • werken met een rupskraan 
    • kroonhout ter plaatse 
  • Voorwaarden i.v.m. behoud van de onderetage of de reeds aanwezige natuurlijke verjonging of i.v.m. afzetten van het hakhout voorafgaand aan de kapping. 
  • Te behouden soorten: bij alle types kappingen kan als voorwaarde opgelegd worden dat bepaalde soorten of bepaalde specifiek omschreven bomen behouden dienen te worden 
  • Indien de betreffende percelen gelegen zijn in een beschermd landschap worden als bijzondere voorwaarde de voorwaarden opgelegd door het bindend advies van Onroerend Erfgoed overgenomen. 

C.3 criteria m.b.t. bosverjonging 

Na het kappen van de bomen moet de bosbeheerder ervoor zorgen dat de gekapte plek terug kan herstellen en opnieuw dichtgroeit. 

In principe wordt waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed uitgangsmateriaal) gekozen voor natuurlijke verjonging. In dat geval wordt in de kapmachtiging geen herbeplantingsplicht opgelegd en wordt het behoud van de eventueel aanwezige natuurlijke verjonging opgelegd. Bij twijfel wordt een voorwaardelijke vrijstelling van herbeplantingsplicht gegeven voor maximaal 3 jaar. De voorwaardelijke vrijstelling van herbeplantingsplicht kan ook gekoppeld worden aan een evaluatie van de aanwezige natuurlijke verjonging door het ANB na het uitvoeren van de kapping (bv. bij het omvormen van gelijkjarige bestanden van gewone den, populier , fijnspar ...). Op die manier is duidelijk hoeveel en welke soorten er al aanwezig zijn. 

De kunstmatige verjonging door aanplanting of bezaaiing kan uitgevoerd worden tot 3 jaar na de eindkap. 
Boomsoortenkeuze: het standstill-principe wordt toegepast.  

Boomsoort Inheems loofhout Niet-inheems loofhout Inheems naaldhout Niet-inheems naaldhout
Vervangen door inheems loofhout OK OK OK OK
Vervangen door inheems naaldhout NIET

OK, Vooral in het kader van bestrijding van agressieve exoten 

OK OK
Vervangen door niet-inheems loofhout NIET OK NIET

OK, Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten 

Vervangen door niet-inheems naaldhout NIET OK NIET OK

Plantafstand: 

- Om bosbehoud te kunnen verzekeren moeten een minimaal aantal boompjes per hectare aangeplant worden in een maximaal plantverband. Deze minimale aantallen variëren naargelang de boomsoort (zie onderstaande tabel) en zijn dezelfde als voor het verkrijgen van een subsidie voor herbebossing en bebossing. 
Voor de productie van kwaliteitshout is het wel aangewezen om in een nauwer plantverband te planten. 

Boomsoort Minimaal aantal per ha Maximaal plantverband

Zomereik (Quercus robur)

2000 2m x 2,5m

Wintereik (Quercus petraea)

2000 2m x 2,5m

es (Fraxinus excelsior)

1600

2.5m x 2.5m 

beuk (Fagus sylvatica)

1600 2,5m x 2,5m

zoete kers (Prunus avium)

1600 2,5m x 2,5m

Haagbeuk (Carpinus betulus)

2000

2m x 2.5m 

linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris)

2000

2m x 2.5m 

zwarte els (Alnus glutinosa)

2000 2m x 2,5m 

berk (Betula pendula en Betula pubescens)

2000 2m x 2,5m

olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor(syn. U. campestris))

2000 2m x 2,5m

gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus )

1600

2.5m x 2.5m 

wilg (Salix spp.)

2000 2m x 2.5m

ratelpopulier (Populus tremula)

1600 2.5m x 2.5m

grauwe abeel (Populus canescens)

123 9m x 9m

grove den (Pinus sylvestris)

2500 2m x 2m

vlier (Sambucus nigra), lijsterbes (Sorbus aucuparia), hazelaar (Corylus avellana), vuilboom (Frangula alnus), Gelderse roos (Viburnum opulus), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), rode kornoelje (Cornus sanguinea), vogelkers (Prunus padus), Spaanse aak (Acer campestre), meidoorn (Crataegus spp.), sleedoorn (Prunus spinosa), wilde rozen (Rosa spp.), hulst (Ilex aquifolium), wegedoorn (Rhamnus catharticus), duindoorn (Hippophae rhamnoides), wilde appel (Malus sylvestris), wilde peer (Pyrus pyraster), mispel (Mespilus germanica), taxus (Taxus baccata), jeneverbes (Juniperus communis), fladderiep (Ulmus laevis)

2000 2m x 2,5m
  • Voor wilg, populier en olm kan na advies van het INBO afgeweken worden van de in de tabel vermelde plantafstanden 
  • Voor de soorten niet opgenomen in de lijst worden volgende maximale plantafstanden opgelegd: 2.5 m x 2.5 m voor inheems loofhout en lork, 2 m x 2 m voor ander naaldhout, 10 m x 10 m voor cultuurpopulier. 
  • Kleine variaties van het maximaal plantverband met behoud van het minimum aantal per ha kunnen toegestaan worden in functie van de mogelijkheid voor machinaal vrijstellen. 
  • De maximale plantafstand kan eventueel groter zijn bij gebruik van groot plantsoen als er tussen het plantsoen voldoende natuurlijke verjonging of opslag van struiken en hakhout is. Voor de productie van kwaliteitshout wordt een nauwer plantverband aangeraden.