Bedreigde vroedmeesterpad werkt aan comeback

Europese primeur: Vlaanderen zet eerste gekweekte vroedmeesterpadden gecoördineerd uit om soort te redden

Het voortbestaan van de vroedmeesterpad hing aan een zijden draadje in Vlaanderen. Van het dier bleven slechts enkele honderden mannelijke exemplaren over. Zij droegen het lot van het ganse nageslacht, wat gerust letterlijk mag genomen worden. Daar waar men vreesde dat de vroedmeesterpad op korte termijn zou verdwijnen, kunnen we nu stellen dat de kansen op een comeback toenemen.

Om het aantal vroedmeesterpadden opnieuw te verhogen werd een soortenbeschermingsprogramma (SBP) opgezet. Het programma wil het aantal vroedmeesterpadden zo snel mogelijk op een veilig niveau brengen. Het streefdoel is op termijn twintig populaties met telkens minstens tweehonderd roepende mannetjes. Het SBP voorziet naast het aanleggen en herstellen van geschikte land- en voortplantingsbiotopen, ook een kweekprogramma met larven met ‘vers’ genetisch materiaal uit Nederland, Wallonië en de resterende populaties in Vlaanderen. Dit kweekprogramma draait op volle toeren. De larven worden grootgebracht in de kwekerij van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek in Linkebeek tot ze – vermoedelijk vanaf 2021 – nakomelingen kunnen produceren. Omdat de overlevingsgraad groter blijkt dan verwacht, kunnen dit najaar al zo’n 75 kleine padjes en nog eens 100 larven gecoördineerd worden uitgezet. Een primeur in Europa! Deze uitzettingen gebeuren verspreid over locaties met bestaande kwetsbare populaties in Huldenberg, Sint-Genesius-Rode en Borgloon. Om dit alles mogelijk te maken sloegen Natuur en Bos van de Vlaamse overheid (ANB), het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), Natuurpunt, het Regionaal Landschap Dijleland en Regionaal Landschap Pajottenland en Zennevallei de handen in elkaar. Op de locatie in Huldenberg – meer bepaald Groeve Ganzemans (Neerijse) – werd de pers op de uitzetting van 30 oktober uitgenodigd.  

Klein en kwetsbaar

De vroedmeesterpad heeft het in Vlaanderen niet onder de markt. Door toenemende verbossing en het verdwijnen van zonnige overgangsbiotopen, beschikt de pad over een steeds kleiner landbiotoop. Tel daar het verdwijnen van geschikte voortplantingswaters bij, en je weet dat de soort het de laatste jaren knap lastig kreeg. Bovendien zijn het honkvaste dieren. Ze wijken niet snel uit naar nieuw territorium. Ook niet als ze geïsoleerd geraken door versnippering van hun leefmilieu. Het resultaat is dat vele populaties de voorbije decennia van de kaart geveegd werden. De resterende groepen zijn nagenoeg allemaal klein en kwetsbaar.

Mannetjes zorgen voor hun nakomelingen

De vroedmeesterpad houdt van de warmte en zoekt bescherming onder losse steengrond. Vlaanderen ligt op de noordwestelijke rand van zijn Europese verspreidingsgebied. Je vindt ze hier bijna uitsluitend op de zonnige hellingen van het Brabants heuvelland, het zuiden van Haspengouw en de Voerstreek. Opvallend is dat het vrouwtje haar eitjes niet in het water legt. Het mannetje wikkelt het eisnoer om zijn achterpoten (zie foto) en draagt het vervolgens enkele weken met zich mee aan land. Hij draagt dus letterlijk zijn nageslacht. Pas als de larven in de eitjes voldoende ontwikkeld zijn, keert hij terug naar de poelen om ze af te zetten. Een vroedmeesterpad legt weliswaar minder eitjes dan andere soorten, maar dankzij deze techniek hebben de dikkopjes een grotere kans om de eerste levensweken te overleven.

In de Brabantse wouden

Dat voor de uitzetting onder meer Neerijse gekozen werd, is geen toeval. De locatie ligt te midden van het gebied van de Brabantse wouden. De regio ten zuiden van Brussel en Leuven die omarmd wordt door de machtige wouden Hallerbos, Zoniënwoud en Meerdaalwoud heeft heel wat in huis om de vroedmeesterpad kans op overleven te geven: zonnige valleihellingen, poelen, stenige gronden en boerderijen met schuurtjes om bij te schuilen. Bovendien lopen er in en rond de Brabantse wouden verschillende projecten die het landschap versterken en ontsluiten. Deze initiatieven, waar verschillende organisaties en overheden bij betrokken zijn, versterken het leefmilieu van de dieren en verkleinen de kans dat populaties geïsoleerd geraken.