Tips & tricks om te gaan sporenjagen

Tips & tricks om te gaan sporenjagen

Word een sporenjager dankzij deze 10 tips!

Tip 1: Volg sporen op de grond.
Hou het pad in de gaten en wees alert voor pootafdrukken, uitwerpselen of omgewoelde aarde. Zo achterhaal je makkelijk de frequent gebruikte routes.

Tip 2: Wees stil.
Zodat je de dieren niet opschrikt. Wandel langzaam, vermijd hoopjes bladeren en krakende takken. Het stilst ben je als je op gras loopt.

Tip 3: Neem het juiste materiaal mee.
Als je een dier hebt gespot, is de verleiding groot om er zo dicht mogelijk bij te geraken. Toch blijf je maar beter op een afstand van ten minste 25 meter toekijken. Een verrekijker komt dan goed van pas! Ga je ’s avonds sporen jagen? Neem dan een diervriendelijke zaklamp mét rood (!) licht mee. Ook een vergrootglas, een wildcamera, warme kledij, waterdichte schoenen en een gids of plannetje heb je best op zak.

Tip 4: Sta vroeg op (of ga laat slapen).
Wild spotten doe je het best ’s ochtends vroeg of ’s avonds wanneer het donker wordt. Dan zijn de meeste dieren op pad.

Tip 5: Zoek de juiste plek op.
De meeste sporen en dieren vind je niet in het bos, maar in open landschappen zoals weilanden, heide en aan bosranden. Ook op plekken waar veel eten te vinden is, is de kans groter.

Tip 6: Maak gebruik van kijkplekken.
In veel natuurgebieden zijn speciale observatieplaatsen aangelegd voor wandelaars en fietsers. Op die plekken liggen meestal wildweiden die goed worden onderhouden om wild aan te trekken. Als je hier een tijdje rustig blijft kijken, heb je een grote kans om wild te zien.

Tip 7: Draag geen parfum of deodorant.
Dan ruiken dieren je al van ver! Je ontbijt of lunch bewaar je dan ook beter in een goed afgesloten doos. Om diezelfde reden wandel je best altijd tegen de wind in.

Tip 8: Kleed je onopvallend.
Met donkere, natuurlijke tinten ga je op in de achtergrond en schrik je de dieren minder af. Vermijd dus opvallende kleuren.

Tip 9: Doe alsof.
Zie je een wild dier tijdens het wandelen? Loop dan rustig verder en probeer zo onopvallend mogelijk te kijken. Heel wat wilde dieren zoals reeën en zwijnen blijven namelijk stokstijf staan wanneer ze ‘gevaar’ opmerken. Ze gaan ervan uit dat je hen dan niet ziet.

Tip 10: Wees geduldig. 
Soms moet je urenlang wachten of rondlopen voor je een dier in het vizier krijgt. Hoe vaker en langer je in de natuur bent, hoe groter de kans dat je een dier ziet. Een poosje muisstil op dezelfde plaats blijven staan of zitten, kan ook helpen.
 

Hou ook rekening met deze 5 richtlijnen als je gaat sporen jagen in de natuur:

  1. Blijf op de paden.
    Zo vermijd je dat je het hol van een spitsmuis of de frisgroene lunch van een ree vertrappelt.
  2. Laat geen sporen achter.
    Afval hoort niet thuis in de natuur! Planten, paddenstoelen, bloemen en vruchten daarentegen laat je op hun plaats.
  3. Betreed geen verboden gebieden.
    Duinen bijvoorbeeld hebben een lange herstelperiode en zijn een geliefde broedplaats voor vogels. Als je de dieren verjaagt, bestaat de kans dat ze hun nesten in de steek laten.
  4. Voeder nooit wilde dieren.
    Zo raken ze voor hun overleven afhankelijk van de mens en gaan ze zelf niet meer op zoek naar voedsel.
  5. Blijf op afstand.
    De meeste dieren houden niet van indringers en kunnen je aanwezigheid als een aanval op hun territorium beschouwen. Blijf daarom op een afstand van minimaal 25 meter.


Veel plezier!