Grote wespbij
Thema van het dossier
Dieren en planten

Vlaams actieplan wilde bestuivers voorziet 21 wildebestuiversreservaten

Het gaat niet goed met wilde bestuivers in Vlaanderen. Het Vlaams actieplan voor wilde bestuivers 2022-2030 neemt doortastende maatregelen om die negatieve populatietrend van o.a. wilde bijen en zweefvliegen een halt toe te roepen. Veel planten hebben immers nood aan bestuiving om zich te kunnen voortplanten. Wilde bestuivers zijn dus essentieel voor onze biodiversiteit. Een van de prioritaire acties van het actieplan is het oprichten van wildebestuiversreservaten. Samen met partners hebben we 21 gebieden aangewezen waar belangrijke populaties van zeldzame soorten aanwezig zijn. Zo beschermen we die populaties en verbeteren we ook de kwaliteit van hun leefomgeving. Maar bestuivers komen overal voor en iedereen kan zijn steentje bijdragen, ook in tuinen, parken, langs akkers... De komende jaren zal dit actieplan verder worden uitgevoerd, gecoördineerd door het departement Omgeving, dat jaarlijks met de Week van de Bij blijft inzetten op sensibilisering. 

Biodiversiteit in Vlaanderen is geen bijzaak

Veel van onze planten hebben nood aan bestuiving om zich te kunnen voortplanten en een toekomst te voorzien voor hun soort. Van wilde planten in de natuur over sierplanten in de tuin tot voedselgewassen in de landbouw. Maar liefst tachtig procent van de plantensoorten kunnen niet in hun eigen bestuiving voorzien en zijn in belangrijke mate afhankelijk van insecten. En dat zijn zeker niet alleen honingbijen. Wilde bestuivers zoals wilde bijen en zweefvliegen, maar ook kevers en dag- en nachtvlinders, zijn daarin nog belangrijker.

Helaas gaat het niet goed met de wilde bestuivers. Van de 381 soorten wilde bijen die in ons land voorkomen, is maar liefst 32,8 procent bedreigd, 6,8 procent bijna bedreigd en 11,8 procent regionaal uitgestorven. Met de dagvlinders en de zweefvliegen gaat het niet beter. Integendeel.

Die achteruitgang van wilde bestuivers is te wijten aan een mix van verschillende factoren die mekaar versterken. De voornaamste oorzaken zijn: habitatverlies en -degradatie, verarming van het bloemenlandschap, het gebruik van bestrijdingsmiddelen, stikstofdepositie, vermesting en klimaatverandering.

Vlaams actieplan wilde bestuivers

Maatregelen voor meer wilde bestuivers

  • Om de wilde bestuivers in Vlaanderen een boost te geven moeten eerst en vooral de resterende populaties behouden blijven. 
  • Daarnaast is het verbeteren van de leefgebiedskwaliteit en vooral het vergroten van het areaal aan bestuiversvriendelijke omgeving een belangrijke actie. Zo zal Vlaanderen wildebestuiversreservaten inrichten en zetten we met het houtkantenplan van de Vlaamse Landmaatschappij in op de juiste kleine landschapselementen in het platteland.
  • Bestuiversvriendelijk beheer is dan weer relevant om met de noden van wilde bestuivers rekening te houden. Via ons opleidingscentrum Inverde worden daarom digitale praktijkgidsen gemaakt voor de verschillende doelgroepen.
  • Voor de uitwerking van verdere beleidsstappen is het belangrijk een goed zicht te hebben op de populatietrends van de gevatte soortgroepen en kennislacunes. Er wordt bekeken of het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek hierbij een belangrijke rol kan opnemen qua wetenschappelijke monitoring.
  • Verder worden educatieve acties opgezet om het bewustzijn over en het belang van wilde bestuivers te vergroten. Met lespakketten voor het onderwijs, maar ook door bij initiatieven zoals het Natuurhuis Brialmont, het Vlaamse kenniscentrum voor stedelijke natuur, enkele praktijkvoorbeelden te voorzien van bestuiversvriendelijke acties en beheer.
  • Tot slot is dit actieplan niet statisch, maar dynamisch en is er ruimte om bijkomende kansen en initiatieven te ondersteunen. Daarbij denken we ook aan de entiteiten buiten het beleidsdomein Omgeving.
groen

Ontdek onze wildebestuiversreservaten

Een van de prioritaire acties van het actieplan is het oprichten van wildebestuiversreservaten. Alle natuurgebieden zijn in feite al wildebestuiversreservaten, maar sommigen kunnen beschouwd worden als voorbeeldgebieden voor natuurherstel en -beheer. De kennis ervan zal ook verspreid worden voor andere beheerders en geïnteresseerden.

Tien wildebestuiversreservaten worden beheerd door Natuurpunt, acht door Natuur en Bos, één door Limburgs Landschap, één door vzw Orchis en één door vzw Durmevallei. Hieronder lees je meer over deze gebieden en welke unieke soorten er aanwezig zijn.

Kaart gebieden


1. Westhoek - 2. Paelsteenpanne - 3. De Vaarttaluds - 4. Bos t'Ename - 5. Heidemeersen - 6. Buylaers - 7. Doelpolder Noord - 8. Bos van Aa - De Kollinten - 9. Kleiputten Terhagen - 10. Park Vordenstein - 11. Beninksberg - 12. Rosdel - 13. De Liereman - 14. Most-Keiheuvel - 15. Terril Beringen - 16. Terril Helderbeekvallei - 17. Hageven - 18. Terril Klaverberg - 19. Vallei van de Krombeek - 20. Negenoord-Kerkeweerd - 21. Altenbroek

Kleiputten van Terhagen (Antwerpen)

Leefgebied in Kleiputten Terhagen

De Rupelstreek is synoniem voor klei-ontginning en baksteennijverheid. Er werd eeuwenlang klei ontgonnen, de overgebleven steenbakkerijen getuigen daarvan. In Terhagen, langs de oever van de Rupel, bevindt zich een ontginningsgebied van meer dan 200 ha, waar op dit moment nog klei wordt ontgonnen. De kleiontginning is sinds de jaren tachtig meer naar het noorden verschoven en er is een groot gebied ontstaan waar de natuur grotendeels vrij spel heeft gekregen.

Het natuurgebied van Natuurpunt is gelegen in dit ontginningslandschap. In het deel van het ontginningsgebied waar het natuurreservaat zich bevindt, is er weinig of geen opvulling geweest. Daardoor zijn er heel wat plassen ontstaan die met elkaar verbonden zijn door afwateringskanalen.

De kleiputten van Terhagen zijn vooral bekend vanwege hun pioniersvegetatie, in de moerassige gebieden groeien dan ook vele wilgen. Op de oevers van de vele plassen en in de open plekken in de bossen groeien dan weer vochtminnende kruiden, zoals grote kattenstaart. Dat zorgt ervoor dat er een waardevol vochtig landschap ontstaat dat heel wat gespecialiseerde bijen aantrekt.

Het reliëf van het gebied is gevormd door de kleiontginning. De vele steile hellingen en opgehoogde rijwegen zijn overblijfselen van de kleiontginning en zijn van onschatbare waarde voor wilde bijen die erin nestelen. Deze overvloed aan geschikte nestplaatsen zorgt ervoor dat er in het gebied heel wat zandbijen voorkomen en hun koekoeksbijen (de wespbijen).

Wilde bijen in Kleiputten Terhagen

De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in de kleiputten van Terhagen kun je raadplegen op waarnemingen.be.

Dankzij de vele wilgen in de kleiputten van Terhagen kun je er heel wat voorjaarssoorten aantreffen. Er is een grote populatie roodscheenzandbijen, dit is dan ook een van de weinige locaties waar de donkere dubbeltand, een wespbij die parasiteert op deze zandbij, leeft. De dageraadzandbij zit ook in dit gebied. In het voorjaar zie je eveneens veel dwergzandbijen, zoals de gekielde dwergzandbij en de breedbanddwergzandbij. 

Er is een voortdurende aanvoer van water, waardoor de vele vochtige plekken nat blijven tijdens het jaar. In het gebied gedijen planten van vochtige biotopen, zoals grote wederik, grote kattenstaart, wilgenroosje en heelblaadjes, zelfs tijdens droge zomers goed. Die vegetaties zijn zeer geschikt voor gespecialiseerde bijen, zoals respectievelijk de gewone en bruine slobkousbij, kattenstaartdikpoot, Lapse behangersbij en kruiskruidzandbij. Dat heeft ertoe geleid dat ook hun (respectievelijke) parasieten (bonte viltbij, zwartsprietwespbij, gewone kegelbij en heidewespbij) zijn er terug te vinden.

De vele hellingen en steilranden in dit gebied, overblijfselen van het verleden van kleiontginning, zorgen ervoor dat er veel geschikte nestplaatsen zijn waardoor er grote nestkolonies ontstaan. Op steile randen waar de oorspronkelijke lemige toplaag niet is afgegraven, kun je o.a. gewone sachembij vinden samen met de koekoeksbij bruine rouwbij. Daarnaast is de zwarte sachembij terug te vinden in de directe omgeving van het natuurgebied.

De kleiputten van Terhagen herbergen een grote biodiversiteit, niet alleen voor wilde bijen, maar ook voor amfibieën en libellen. Dat is vooral te danken aan het sterke dynamische, waterrijke karakter waar vooral pionierssoorten goed in gedijen. Een van de belangrijkste factoren die de dynamiek bepalen is de ontginning van klei, die nog steeds plaatsvindt in aanpalende terreinen. De kleiontginning zal er ook in de komende decennia voor zorgen dat het ruime gebied geschikt blijft voor de vele pionierssoorten, die al vanaf de start van de kleiontginning in de middeleeuwen van de Rupelstreek hun thuis hebben gemaakt.

Donkere dubbeltand
Kleiputten Terhagen
Donkere dubbeltand
Kleiputten Terhagen

Most-Keiheuvel (Antwerpen)

Twee zeer verschillende natuurkernen

Most-Keiheuvel is een gebied van ca. 540 hectare langs de bovenloop van de Grote Nete in Balen. Bijzonder aan dit gebied is de combinatie van twee totaal verschillende natuurkernen die naadloos op elkaar aansluiten. De Most is een uiterst nat valleigebied bestaande uit natte broekbossen en venige open vegetaties met zeldzame planten zoals wateraardbei, waterdrieblad en veenpluis... Veel soorten zoals de veenhommel, en verschillende nachtvlinders zoals de elzenwespvlinder, walstrospanner, wederikdwergspanner… voelen zich er thuis. De rupsen van die nachtvlinders hebben hun gelijknamige waardplanten nodig om te kunnen overleven. 

De hoger gelegen Keiheuvel wordt gekenmerkt door droge open landduinen met verschillende korstmossen en plantjes zoals heidespurrie en kruipbrem en soorten zoals heivlinder en o.a. de heideringelrups, een nachtvlinder die struikheide als waardplant heeft. Ook de heidezandbij en de heizijdebij hebben struikheide nodig om voedsel voor het nageslacht te verzamelen. De koekoeksbijen van die twee soorten, respectievelijk de heidewespbij en de heideviltbij, werden er dan ook waargenomen. 
 

Rijke ecologische gradiënt

De zeer verschillende natuurkernen van De Most en Keiheuvel gaan in elkaar over via een uiterst rijke ecologische gradiënt. De standplaats verandert geleidelijk van zeer droge en voedselarme zandbodems naar zeer natte, iets voedselrijkere zandbodems en veen. Die gradiënt zorgt er voor een grote variatie aan habitats en soorten. De droge bossen worden ook hier nog voornamelijk gedomineerd door naaldhout, maar de ondergroei is er wel rijk aan soorten zoals spork, lijsterbes en wilde kamperfoelie langs de zon beschenen bosranden. Dat resulteert in een soortenrijke fauna, met onder andere sporkehoutzandbij, kamperfoelie-uil; kleine ijsvogelvlinder... De hooilanden zijn door omvormingsbeheer geëvolueerd naar meer bloemrijke varianten met margrieten, ruigere hoekjes en overgangen naar nattere zones met zeggenvegetaties. Daar waar er nooit intensief bemest geweest is, duiken soorten van heischrale graslanden opnieuw op. Ook dagvlinders als geel- en zwartsprietdikkopje en veldparelmoer voelen zich thuis in dit gebied.

In Vlaanderen is deze gradiënt van nat naar droog binnen onze natuurgebieden zeer zeldzaam geworden. Vaak bestaan onze natuurgebieden enkel nog uit de natste delen of de droogste voedselarme delen, die het minst geschikt waren voor landbouw. Maar veel soorten hebben juist die gradiënt nodig! Denk maar aan verschillende op wilg gespecialiseerde zandbijen die nestelen in de droge zandbodem, maar wel afhankelijk zijn van nectar en stuifmeel van wilgen die in de vochtigere zones voorkomen. Ook in functie van klimaatverandering is deze gradiënt cruciaal, want zo kunnen de vegetaties en bijhorende soorten mee opschuiven, waardoor de kans op uitsterven kleiner wordt.
De combinatie van voldoende voedsel in combinatie met zeer geschikte nestgelegenheid zorgt ervoor dat dit gebied uitermate geschikt is voor tal van wilde bestuivers.

Bandheidelibel
Eendenkom in Most-Keiheuvel
Keiheuvel
Heivlinder
Poelen in Most-Keiheuvel
Zandduinen in Most-Keiheuvel
Kunstwerk in hout van een bij Most-Keiheuvel
Bandheidelibel
Eendenkom in Most-Keiheuvel
Keiheuvel
Heivlinder
Poelen in Most-Keiheuvel
Zandduinen in Most-Keiheuvel
Kunstwerk in hout van een bij Most-Keiheuvel

Park Vordenstein (Antwerpen)

Leefgebied en beheer van Vordenstein

Aan de rand van Schoten vind je Park Vordenstein. Het park bestaat uit een variatie aan verschillende soorten bomen en planten, verspreid over brede majestueuze lanen, open grasland en waterpartijen. De tuinen en het parkgebied aan het oude kasteeldomein zorgen voor afwisseling zowel qua planten als qua microklimaat. In de tuin van de oranjerie vind je een prachtige verzameling van één- en meerjarige planten. De tuin is ingedeeld in een aantal voorbeeldtuinen, zoals een kruidentuin, een vierseizoenentuin, een vijvertuin… We beheren het park samen met de vele Vordensteinvrijwilligers volgens de principes van Harmonisch Park- en Groenbeheer.

Wilde bijen in Vordenstein

Deze mix vormt dan ook de ideale leefomgeving voor verschillende wilde bestuivers. Bijen zoals de knautiabij en de klokjesdikpoot zijn er al waargenomen, soorten die afhankelijk zijn van de gelijknamige planten om de pollen te verzamelen voor hun nageslacht. Ook verschillende nachtvlinders zijn er gespot zoals de berkenglasvlinder, lindegouduil, kamillevlinder, gevorkte silene-uil, bosbessnuituil, wolfspootoogklepmot, eikenpalpmot waarvan de naam ook de waardplant verklapt! De rupsen hiervan hebben deze planten nodig om te kunnen overleven.

  • De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in Vordenstein kun je raadplegen op waarnemingen.be.
Bijenhotel in Vordenstein
Oranjerietuin Vordenstein
Oranjerietuin Vordenstein
Oranjerie
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Bloemen in Park Vordenstein
Bijenhotel in Vordenstein
Oranjerietuin Vordenstein
Oranjerietuin Vordenstein
Oranjerie
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Park Vordenstein
Bloemen in Park Vordenstein

Landschap De Liereman (Antwerpen)

Leefgebied De Liereman

Landschap De Liereman is een gevarieerd landschap met een waaier aan Kempische biotopen waarvan er heel wat een bijzondere betekenis hebben voor wilde bijen, zoals open bossen op zandgrond, het kleinschalig cultuurlandschap met akkertjes, verschillende types heide met landduinen en heischrale graslanden. Die bieden zowel nestgelegenheid als voedselbronnen voor wilde bijen. Het herstel van die biotopen komt dan ook sterk ten goede aan de bijenfauna van het gebied.

Droge en in mindere mate natte heidetypes hebben hun eigen gespecialiseerde bijenfauna. Tijdens de bloei trekken ze ook grote aantallen minder gespecialiseerde soorten. Het meest waardevol zijn niet verzuurde structuur- en dus bloemrijke heidetypes. Een speciaal leefgebied voor wilde bijen wordt ook gevormd door de landduinen, waar veel bijensoorten nestelen. Aansluitend daarbij vormen zandige schraallandjes door hun bijzondere bloeiende flora (zandblauwtje, stijf havikskruid, muizenoor...) en het warme en droge microklimaat het leefgebied van heel wat veeleisende bijensoorten, waarvan er veel (grotendeels) verdwenen of zeldzaam zijn. Naarmate die graslandjes meer van de typische plantensoorten bevatten, kunnen ook meer van de typische bijensoorten voorkomen. Overgangen naar bos en -indien voldoende open- het bos zelf op zandgrond kunnen ook erg waardevol voor bijen zijn dankzij de bovengrondse nestgelegenheid, in de vorm van zonnig dood hout met vraatgangen en merghoudende dode stengels en bloeiende planten als brem, sporkehout, bramen, blauwe bosbes... Ook het traditionele kleinschalige cultuurlandschap met akkertjes heeft veel te bieden voor wilde bijen, vooral de bloeiende houtkanten, bloemrijke graslanden en akkers met bloeiende akkeronkruiden.

De natte biotopen zoals veen en venige heide, vochtige heischrale graslanden, moerasvegetaties en natte struwelen ten slotte herbergen een minder soortenrijke bijenfauna, waaronder wel een reeks gespecialiseerde en deels (zeer) zeldzame soorten. De bloeiende vegetaties met onder andere wilgen, blauwe knoop, tormentil, dophei, grote kattenstaart… kunnen ook belangrijk zijn voor niet gespecialiseerde bijen. De natte biotopen zijn bovendien van belang voor veel nachtvlinders en zweefvliegen.

Wilde bijen in De Liereman

De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in Landschap De Liereman is te raadplegen op waarnemingen.be. Er moeten wel nog een aantal bijensoorten bevestigd worden. Op struikhei gespecialiseerde bijen in Landschap De Liereman zijn heizijdebij en heidezandbij en hun respectievelijke koekoeksbijen heideviltbij en heidewespbij. Zeldzamere bijen die nestelen in de zandige landduinen en bloemen bezoeken in de omringende heide en graslanden zijn onder andere zilveren zandbij, kleine bleekvlekwespbij, heidebronsgroefbij en kleine sachembij. Rode maskerbij, grote roetbij en bruinsprietwespbij zijn dan weer typische bijen van droge zandige (heischrale) graslandjes. Kruiskruidzandbij foerageert vooral op Jacobskruiskruid (maar ook andere zomerbloeiende gele composieten) in allerlei grazige vegetaties. Bremzandbij en Lapse behangersbij komen voor in zomen en bosranden op zandige bodem. Ook gele tubebij komt doorgaans voor op overgangen van grasland naar bos en heide. Dat is de zeldzame koekoeksbij van de vooral op rolklaver vliegende kleine harsbij, die nestjes ophangt gemaakt van hars van naaldbomen en plantenvezels. Roodscheenzandbij is een typisch Kempische bijensoort die enkel stuifmeel verzamelt van wilgen en ondergronds nestelt op drogere plekken. Typische bijen voor moerasvegetaties zijn rietmaskerbij (nestelt in sigaargallen van riet en zoekt voedsel op schermbloemen zoals melkeppe en gewone engelwortel) en bonte viltbij (koekoeksbij van de van wederik afhankelijke slobkousbijen).

Hommels tot slot zijn echte landschapssoorten door hun levenswijze in kolonies en grote energiebehoefte. In Landschap De Liereman zijn zowel grote veldhommel als veenhommel, de twee meest typische hommels van heide- en veengebieden, reeds waargenomen. Ze vinden er afhankelijk van het jaargetijde voedsel in zowel bossen (o.a. bosbes, sporkehout, bramen), heide en veen (o.a. wilgen, brem, dop- en struikhei) als heischrale graslanden (o.a. heidekartelblad, zandblauwtje).

Veenhommel
Heide in bloei in De Liereman
Veenhommel
Heide in bloei in De Liereman

Altenbroek (Limburg)

Leefgebied in Altenbroek

Het natuurgebied Altenbroek is een dallandschap. In wat ooit een licht hellende hoogvlakte was, hebben de Maas en haar bijriviertjes een aantal brede, V-vormige dalen met een vlakke dalbodem uitgesleten. Een proces dat miljoenen jaren duurde.

Het gebied, met midden erin het Landgoed Altenbroek, omvat beemden van het riviertje de Noor en hellingbossen. Het sluit aan op het natuurgebied Schoppemerheide in het zuiden en op het Nederlandse natuurgebied van de Noorbeemden in het noorden. Delen van het gebied worden gehooid of begraasd door runderen en schapen.

Het reliëf in combinatie met de kalkrijke bodem en de aanwezigheid van bloemrijke graslanden maken het gebied uniek voor wilde bijen. Je vindt er bijzondere graslanden met duifkruid, grote centaurie en tal van orchideeën. Er zijn ook meer voedselrijke hooilanden met rode klaver, gewone rolklaver, rapunzelklokje, knoopkruid en beemdkroon. Deze hooilanden zijn echt een paradijs voor bijen.

Mede dankzij het heuvelachtige landschap is er heel wat nestgelegenheid voor grondnestelende bijen ontstaan, waaronder zuidgerichte taluds, steilkanten, en warme open hellingen met veel kale bodem. Omdat ze vaak op naar de naar het zuiden gekeerde helling van de vallei liggen, kun je er tal van warmteminnende soorten terugvinden.

Wilde bijen in Altenbroek

In Altenbroek zijn verschillende zeldzame bijensoorten te vinden die slechts op weinig andere plekken in Vlaanderen voorkomen, zoals de waaiergroefbij en zijn parasiet de kortsnuitbloedbij. De kortsnuibloedbij is tot nu toe alleen nog maar gevonden in Gellik, Bassenge en in het natuurgebied Altenbroek.

De vele hellingen in het gebied zijn zeer geschikt voor nestplaatsen van tal van bijen. Dat, in combinatie met een groot aantal bloemrijke graslanden, resulteert in grote gezonde populaties van wilde bijen. Daarom zijn er ook heel wat koekoeksbijen te vinden. Die komen alleen voor op plaatsen waar er voldoende grote populaties aanwezig zijn van de bijen waar ze op parasiteren.

Je kunt er de grote wespbij, de koekoeksbij van de gewone en zuidelijke langhoornbij aantreffen. Ook de gele wespbij, de parasiet van de zeer zeldzame eikenzandbij is er al gevonden. Altenbroek is allicht het natuurgebied met de hoogste concentratie zeldzame koekoeksbijen in Vlaanderen, want ook de witte rouwbij en dubbeldoornwespbij komen er voor.

  • De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in Altenbroek kun je raadplegen op waarnemingen.be >
Gele wespbij op paardenbloem
Bijenonderzoek op een van de zuidhellingen in Altenbroek, met rode klaver op de voorgrond.
Zuidgerichte helling in Altenbroek.
Gele wespbij op paardenbloem
Bijenonderzoek op een van de zuidhellingen in Altenbroek, met rode klaver op de voorgrond.
Zuidgerichte helling in Altenbroek.

Hageven (Limburg)

Leefgebied in het Hageven

Het natuurgebied Hageven-De Plateaux is gelegen in België en Nederland. Er zijn 600 hectare aan heide, vennen, bossen en graslanden waar de Dommel zich kronkelend een weg baant door het mooie landschap.

In het Hageven is een mozaïek van verschillende soorten natuur te zien. De flanken en de toppen van de duinen zijn de droogste gronden van het gebied. Het zand verstuift nu niet meer zoals in vroegere tijden. Buntgras en ruig haarmos hebben het zand grotendeels gefixeerd.

Het Turfven is een restant van een ringven, een uiterst zeldzaam type ven, waar hoogveenontwikkeling als een dik tapijt op het wateroppervlak ligt. Door zandontginning vlak voor het ven is er een tweede plas ontstaan, die in verbinding staat met het oorspronkelijke ven. Jarenlang zijn beide waters gebruikt als visvijver, maar sinds de aankoop in 2004 is het beheer gericht op het herstel van de hoogveenontwikkeling. De omliggende hooilanden worden omgevormd naar heischrale graslanden, waar bijen, libellen en vlinders zich snel thuis voelen. 

Het LIFE-project Dommeldal heeft vanaf 2006 een aantal grootschalige beheerwerken uitgevoerd om de heide opnieuw meer kansen te geven. Er zijn grote oppervlakten geplagd (het wegnemen van de toplaag) met als resultaat een kale, voedselarme bodem waarop de heide opnieuw kan kiemen. Het LIFE-project maakte het mogelijk om een aantal vroeger drooggelegde vennen opnieuw aan te leggen.

Wilde bijen in het Hageven

In dit natuurgebied is de grote verscheidenheid aan habitats een belangrijke troef, waardoor je er een grote diversiteit aan bijen kunt terugvinden.

In de heide- en duingebieden van het Hageven vind je veel soorten die hieraan verbonden zijn. Naast de gebruikelijke soorten, zoals heidezandbij, heidewespbij, heizijdebij, heideviltbij en heidebronsgroefbij, kun je er ook zeldzamere soorten terugvinden, zoals grote veldhommel en zuidelijke bronsgroefbij. Het Hageven is een van de twee locaties waar die laatste recent is gevonden in België. De andere locatie is dicht bij de terril van Winterslag.

In de meer vochtige zones van het natuurgebied komen dan weer heel andere soorten voor. In het voorjaar kun je er de zeldzame roodscheenzandbij terugvinden, een bij die zich gespecialiseerd heeft in het verzamelen van wilgenstuifmeel. Ook de rietmaskerbij, die nestcellen maakt in rietgallen, is er te vinden. De veenhommel is dan weer een van onze zeldzamere hommelsoorten, die vaak op dopheide zit.

Een van de bijzonderste bijensoorten van het gebied is de combigroefbij, die recent in België alleen nog maar in dit gebied is aangetroffen.

  • De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in het Hageven kun je raadplegen op waarnemingen.be >
Grote veldhommel
Landschap met grazers in Hageven
Grote veldhommel
Landschap met grazers in Hageven

Negenoord-Kerkeweerd (Uiterwaarden) (Limburg)

Leefgebied

Het natuurgebied Negenoord-Kerkeweerd, dicht bij De Wissen in Dilsen-Stokkem, is een voormalig grindwinningsgebied dat in beheer is van Limburgs Landschap en deel uitmaakt van het Rivierpark Maasvallei. 

Deze uiterwaarden zijn onderhevig aan de grillen van de Maas. In natuurlijke riviersystemen dragen de bijhorende erosie- en sedimentatieprocessen niet alleen bij in de variatie van de verschillende afzettingen (zand, grind, leem…) maar kunnen er ook door erosie steile wanden ontstaan. Tijdens de hoogwaters van 1994 en 1995 heeft er zich hier zo’n spectaculaire erosiegeul gevormd. In een mum van tijd werden de zonbeschenen steile wanden van de erosiegeul dan ook druk bezocht door verschillende insecten en hun parasieten. Sommige soorten zijn zelfs afhankelijk van deze verticale wanden voor hun nestgelegenheid.
 

Unieke flora en wilde bestuivers

Niet alleen die variatie in afzettingen zorgt voor een diversiteit aan typische flora voor de uiterwaarden, ook het bufferende karakter van het kalkrijke Maaswater zorgt ervoor dat er zeer bloemrijke vegetaties ontstaan. Zaden stroomopwaarts kunnen bovendien gemakkelijk via de Maas verspreid worden. De unieke flora zorgt voor voldoende voedsel voor verschillende wilde bestuivers, zowel op vlak van waardplanten voor tal van rupsen van dag- en nachtvlinders, als nectar en stuifmeel voor wilde bijen, zweefvliegen…   

Ook de winterdijken in het gebied dragen daaraan bij door hun soortenrijke bermen die bovendien geschikt zijn als nestgelegenheid omdat er voldoende zon tot de bodem geraakt dankzij de schrale bloemrijke vegetaties.
De combinatie van voldoende voedsel in combinatie met zeer geschikte nestgelegenheid zorgt ervoor dat dit gebied uitermate geschikt is voor tal van wilde bestuivers. Laat u zeker betoveren door dit unieke landschap!

Steilrandgroefbij op steile wand
Knautiabij op roze bloem
Steilrandgroefbij op steile wand
Knautiabij op roze bloem

Terril van Klaverberg (Limburg)

Bijen op terril Klaverberg

De terril van Klaverberg, net zoals de andere Limburgse mijnterrils, is een hotspot voor tal van wilde bestuivers. Dat komt door een combinatie van verschillende factoren. Op de terril komen verschillende soorten planten voor. Elke bestuiver heeft een voorkeur voor een bepaalde plant of plantengroep en is daar dikwijls aan aangepast. Zo bezoeken bestuivers met een lange tong vaak vlinderbloemigen, terwijl bestuivers met een korte tong eerder schermbloemigen bezoeken. Je hebt ook wildebijensoorten die maar op één plant vliegen en daarin gespecialiseerd zijn. Als die plant niet aanwezig is, kan de soort niet overleven omdat er te weinig voedsel is voor de larve om te kunnen ontwikkelen. Generalisten daarentegen kunnen verschillende planten als voedsel gebruiken en zijn dus minder kieskeurig. Hommels hebben het hele jaar door voldoende voedsel nodig omdat zij een kolonie stichten, terwijl solitaire bijen vaak maar een beperkte periode vliegen wanneer de planten die ze nodig hebben bloeien. Daarbij heb je voorjaarssoorten (bv. grijze zandbij op wilg) en zomersoorten (bv. heideviltbij op struikheide). Kort samengevat: hoe meer verschillende soorten planten gedurende het seizoen ergens voorkomen, hoe meer biodiversiteit qua bestuivers.

Een andere factor is de nestgelegenheid. Rond de terrils liggen schrale vegetaties op zandgronden, vaak nog met beschikbaar open zand. Daar kunnen verschillende soorten in nestelen, zoals zandbijen. Doordat de vegetatie niet te veel is dichtgegroeid, kan het zonlicht tot op de bodem schijnen en de grond sneller opwarmen. De terril zelf is dan weer geschikt als nestgelegenheid voor soorten die van nature in rotsachtige biotopen voorkomen, zoals de rotsbehangersbij. Er zijn ook soorten die lege slakkenhuisjes gebruiken, zoals de tweedoornige slakkenhuisbij. Als er dode bomen in de buurt staan, zoeken sommige soorten de boomholten van oude kevergangen op om zich te nestelen.
Doordat de terril snel kan opwarmen en warmte kan vasthouden door de aanwezigheid van donkere stenen, ontstaat er een eigen microklimaat dat veel warmteminnende soorten aantrekt. Elk voordeel heeft ook een nadeel, want tijdens de laatste hittegolven stegen de temperaturen op de terrils zo sterk dat de planten volledig uitgedroogd waren en er dus geen voedsel (nectar en stuifmeel) meer voorhanden was. De toekomst zal uitwijzen hoe zwaar het effect van die klimaatverandering zal doorwegen op de bestuivers.

Beheer van de terrils

Niets doen zou leiden tot verbossing, waardoor veel planten geen licht meer krijgen om te bloeien. Bovendien zou dat voor meer schaduw zorgen en dus minder geschikte nestgelegenheid. Een goede mix tussen open vegetaties en meer windluwe delen is van groot belang. Grote grazers komen bij ons in het wild niet vaak meer voor. Via schapenbegrazing proberen we deze van oudsher toegepaste begrazing in het gebied in te zetten, waardoor de schrale vegetaties kunnen overleven en het zonlicht tot op de bodem kan schijnen. Ook de vertrappeling van de schapen zorgt voor open grond. Die open warme stukken worden niet alleen gebruikt als nestgelegenheid, maar bieden ook weer kansen omdat verschillende planten er kunnen kiemen op de terril.

Wist je dat bepaalde soorten aan hilltopping doen? Dat wil zeggen dat ze het landschap gebruiken om elkaar te ontmoeten, voor de voortplanting bijvoorbeeld. Een terril is een opvallend landschapselement waar onder andere de koninginnepage soortgenoten opzoekt op de top van de berg.

Rode dopheide, gewone dopheide en struikheide
Landschapsfoto
Rode dopheide, gewone dopheide en struikheide
Landschapsfoto

Terril Beringen Mijn (Limburg)

De drie Limburgse terrils komen qua beheer en vegetatie, en dus ook qua soorten wilde bestuivers, overeen. In de sectie van terril Klaverberg (hierboven) lees je er alles over.

Terril Helderbeekvallei Heusden-Zolder (Limburg)

De drie Limburgse terrils komen qua beheer en vegetatie, en dus ook qua soorten wilde bestuivers, overeen. In de sectie van terril Klaverberg (hierboven) lees je er alles over.

Vallei van de Krombeek (LImburg)

Leefgebied

De Krombeekvallei vormt de scheiding tussen Eigenbilzen en Hoelbeek, twee landelijke deelgemeenten van Bilzen. De Krombeekvallei is een asymmetrische vallei. De steile hellingen, grenzend aan Eigenbilzen, en het vervlakte gedeelte, grenzend aan de akkers van Hoelbeek, vormen met de sterk meanderende Krombeek het langgerekte natuurgebied dat beheerd wordt door Orchis vzw. De Krombeekvallei bestaat uit zeer gevarieerde biotopen. Je vindt er een mooie beekvallei met prachtige bossen met vele voorjaarsbloeiers, maar ook bloemrijke hooilanden, door de steile hellingen voorzien van een vochtgradiënt.

Wilde bestuivers in de Krombeekvallei

Die variatie vormt het leefgebied van verschillende wilde bestuivers. Er zijn al verschillende soorten nachtvlinders waargenomen zoals pinksterbloemlangsprietmot, paardenbloemspanner, kardinaalsmutsstippelmot, sint-jacobsvlinder waarvan de naam verwijst naar de planten die de rupsen nodig hebben om te kunnen overleven. 

Qua wilde bijen zijn volgende soorten waargenomen: de kattenstaartdikpoot, de grote en kleine klokjesbij, en ereprijszandbij, waarbij de namen weer de relatie met de planten verklappen. Ook zijn er enkele wilgenspecialisten gespot, zoals de grijze zandbij, grote zijdebij, roodgatje… Ook de roodharige wespbij, een koekoeksbij, is er waargenomen. Die gebruiken dezelfde strategie als de koekoek (vandaar de naam). Vrouwtjes van koekoeksbijen profiteren van het werk van andere bijtjes. Ze dringen het nest van de gastheer binnen, bijten het eitje van de gastheer door en leggen een nieuw eitje bij de voedselvoorraad die verzameld werd door de gastheer. Daardoor doen de koekoeksbijen geen moeite om stuifmeel te verzamelen voor het nageslacht en laten ze het zware werk door andere bijen uitvoeren. Sommige koekoeksbijen zijn ook gespecialiseerd in één bij. Als je die koekoeksbij vindt, weet je dat de gastheer ook aanwezig is. De roodharige wespbij parasiteert op de grijze zandbij.
Ongetwijfeld kunnen er nog meer soorten wilde bestuivers in dit gebied ontdekt worden. Hou je ogen dus open als je dit gebied bezoekt!

Orchis
Orchis
Orchis
Orchis
Orchis
Orchis
Orchis
Orchis
Orchis
Orchis

Buylaers - Lokeren (Oost-Vlaanderen)

Leefgebied

Naast de Durme in centrum Lokeren vind je een groene oase, de Buylaers. Dat natuurgebied, beheerd door vzw Durme, is een hotspot van biodiversiteit in de stad en heeft een oppervlakte van ongeveer 20 ha. Het lappendeken van verschillende biotopen bestaat uit een kleinschalig meersenlandschap dat rijk is aan kleine landschapselementen die worden afgewisseld met moerasbosjes en rietvelden. Deze variatie in het landschap biedt zowel voldoende nestgelegenheden als voedsel voor tal van wilde bestuivers. 

Wilde bestuivers

Sommige soorten nestelen in dood hout van de houtkanten, andere in oude rietstengels, ook de bermen en dijken fungeren als nestlocaties voor o.a. verschillende zandbijen. De variatie aan planten zorgt niet enkel voor nectar en stuifmeel voor o.a. wilde bijen en zweefvliegen. Verschillende planten dienen ook als voedsel voor de rupsen van verschillende dag- en nachtvlinders. Die kleine landschapselementen zorgen bovendien voor een lokaal microklimaat, waardoor er iets minder wind is en het iets sneller kan opwarmen.

Het natuurbeheer van de voorbije jaren heeft ervoor gezorgd dat zeldzamere planten als blaaszegge,  dotterbloem, moerasbasterdwederik, moesdistel, rietorchis en grote ratelaar er opduiken. Daardoor vinden ook vele insecten voldoende voedsel. Speciaal voor dit gebied zijn nachtvlinders die houden van dergelijke vochtige biotopen zoals kleine rietvink, zilverhaak en moerasduiveltje, maar ook de dagvlinder het oranjetipje voelt er zich thuis. Veel van de aanwezige insecten vervullen een belangrijke en onderschatte ecosysteemdienst in ons landschap: zij zorgen er namelijk voor dat bloeiende planten op een natuurlijke manier bestoven worden en zo zaad kunnen produceren. In ruil daarvoor krijgen zij zelf voedsel om hun nageslacht te kunnen voeden.

Oranjetipje vlinder
Zilverhaak vlinder
Vijfvlek-sint-jansvlinder op takje
Bloemrijk grasland
Oranjetipje vlinder
Zilverhaak vlinder
Vijfvlek-sint-jansvlinder op takje
Bloemrijk grasland

Bos t'Ename (Oost-Vlaanderen)

Leefgebied in Bos t'Ename

Bossen staan niet bekend als het meest soortenrijke leefgebied voor wilde bijen, toch kunnen ze grote aantallen en heel wat soorten wilde bijen herbergen als ze voldoende structuurrijk zijn. Dat is zeker het geval voor Bos t’Ename, waar het natuurbeheer zorgt voor open bosplekken en middelhoutbeheer, wastines, beschut gelegen bloemrijk hooiland en mantel-zoomvegetaties. Die bieden een goede combinatie van zowel bovengrondse als ondergrondse nestgelegenheid en bloeiende vegetatie.

Zo bieden goed ontwikkelde wastines en geleidelijke 'rafelige' overgangen tussen grasland en bos een grote diversiteit aan zonbeschenen structuren voor bovengronds nestelende bijen. Specifiek gaat het om dode merghoudende stengels van planten als bramen, toortsen, distels of kaardebol, en dood staand of deels liggend hout met vraatgangen en vermolmde delen. Ondergrondse nestgelegenheid wordt gevormd door droge niet of weinig begroeide bodem in schrale graslandjes, langs paden, bosranden en open plekken, maar ook steilere taluds en steilkantjes op hellingen, langs paden en wortelkluiten van omgevallen bomen. Die moeten zoveel mogelijk zon krijgen. Als ze in de schaduw liggen, worden ze wel nog gebruikt door enkele bijensoorten die zeer vroeg op het jaar vliegen voor het bladerdak gesloten is. Een speciale vermelding verdient de oude leemgroeve, waar onverweerde leembodems en zelfs -wanden aanwezig zijn. Daarvan worden er door gericht beheer heel wat voldoende open en zonnig gehouden. Zo vormen ze een topsituatie voor tientallen soorten nestelende bijen.

Het bloemenaanbod wordt geleverd door de bloeiende bomen en struiken in de bosranden, hakhoutplekken en wastines, bloeiende voorjaarsflora in de oude bossen, en bloeiende grasland- en ruigtekruiden in de graslanden, zomen en wastines. Naarmate die beter ontwikkeld zijn, met name met een minder voedselrijke vegetaties en meer typische plantensoorten, is er een grotere diversiteit aan bloeiende planten beschikbaar voor wilde bijen. Een gefaseerd maaibeheer in de goed ontwikkelde bloemrijke graslanden komt continuïteit van het bloemenaanbod ten goede. Ten slotte worden sinds kort ook drie flora-akkers beheerd. Dergelijke vegetaties kunnen erg waardevol zijn voor wilde bijen.

Wilde bijen in Bos t'Ename

In Bos t’Ename werd een biodiversiteitsaudit uitgevoerd waarvoor tijdens een uitgebreide inventarisatie zoveel mogelijk soortgroepen werden geïnventariseerd, inclusief wilde bijen. Eind 2023 werden in Bos t’Ename al 129 bevestigde soorten wilde bijen aangetroffen. De volledige soortenlijst vindt u op waarnemingen.be.

Van bovengronds nestelende bijen werden 29 soorten waargenomen. De meest bijzondere soorten zijn de koekoeksbijen rosse kegelbij, kielstaartkegelbij en witgevlekte tubebij, en de Lapse behangersbij. Die leeft op open plekken in beboste omgeving waar ze blaadjes van gewoon wilgenroosje knipt om haar nestje te bekleden. Ook voedsel zoeken doet ze bij voorkeur op die plant, maar ook wel op rolklaver, braam of jacobskruiskruid. Andere zeldzamere soorten van beboste omgeving zijn de ondergronds nestelende grote bandgroefbij, valse rozenzandbij en berijpte geurgroefbij, en de boomkoekoekshommel. Die zelden aangetroffen koekoekshommel neemt nesten over van de boomhommel. Samen met de weidehommel en de vierkleurige koekoekshommel zijn het de meest typische hommelsoorten in bebost gebied.

Er werden ook heel wat bijen waargenomen die afhangen van warme bloemrijke graslandjes en zomen, met als interessantste soorten de roodbruine groefbij, schermbloemzandbij, wikkebij en Texelse zandbij. Ten slotte werden ook heel wat zelden waargenomen koekoeksbijen aangetroffen, zoals de stomptandwespbij, tweekleurige wespbij en langsprietdwergwespbij. Die worden doorgaans aangetroffen op of rond de betere nestlocaties voor wilde bijen. In Bos t’Ename werden ze niet verwonderlijk vooral gevonden op de open plekken in de voormalige leemgroeve. Dat geldt ook voor de borstelgroefbij, die typisch nestelt in lemige steilwandjes. Ook voor nachtvlinders en zweefvliegen is dit gebied een hotspot.

Wastine in Bos t Ename
Lapse behangersbij op gewoon wilgenroosje
Spontane evolutie wastinevorming in Bos t Ename.
Wastine in Bos t Ename
Lapse behangersbij op gewoon wilgenroosje
Spontane evolutie wastinevorming in Bos t Ename.

Doelpolder Noord (Oost-Vlaanderen)

Leefgebied

De natte natuur van Doelpolder Noord ligt in het Grenspark Groot Saeftinghe, een zeer waardevol gebied met brakwaterschorren en natte weilanden. Op de Scheldedijk kun je letterlijk komen uitwaaien en genieten van het wondermooie panorama.

De Hedwige-Prosperpolder staat sinds eind 2022 opnieuw onder invloed van het getij, waardoor er brak Scheldewater binnenstroomt. Eb en vloed zorgen voor een grillig patroon van slikken en schorren. Op die schorren groeien planten  zoals zeekraal, zeeaster, Engels slijkgras en riet, die bestand zijn tegen het regelmatige 'snuifje' zout van het brakke water. Die typische vegetaties zorgen voor heel wat biodiversiteit. Tal van rupsen van nachtvlinders, zoals de astermonnik, leven van deze planten. De rupsen van deze mooie nachtvlinder hebben zeeaster nodig als waardplant. Vele namen verklappen vaak de link met deze biotopen en waardplanten: kwelderzandvleugeltje, zeebiesbladroller, zultebladroller, helmgrasmot, zeekraalkokermot… 

Wilde bijen

De schorzijdebij is gespecialiseerd in het verzamelen van de pollen van zeeaster om de nestcellen te bevoorraden. Deze solitaire wilde bij heeft dan ook voldoende planten nodig als voedsel. Bij deze populatie is de koekoeksbij, ook bekend onder de naam de ‘schorviltbij’, gevonden. Die soort gebruikt dezelfde strategie als de koekoek, vandaar de naam. Vrouwtjes profiteren van het werk van andere bijtjes. Ze dringen het nest van de gastheer binnen en bijten het eitje van de gastheer door en leggen een nieuw eitje bij de voedselvoorraad. Daardoor doen de koekoeksbijen geen moeite om stuifmeel te verzamelen voor het nageslacht en laten ze het zware werk door andere bijen uitvoeren. Sommige koekoeksbijen zijn ook gespecialiseerd in één bij. Dus als je die koekoeksbij vindt, weet je dat de gastheer ook aanwezig is, zoals het geval is bij de schorviltbij die enkel op de schorzijdebij parasiteert. 

Op de dijk rond het schorrengebied groeien en bloeien dan weer andere interessante soorten voor bestuivers. Bodem bewonende wilde bijen profiteren van de droge nestgelegenheden op de dijk. Van de argusvlinder, een soort die heel sterk achteruitgaat, vind je er bijvoorbeeld nog een goede populatie. Een aangepast beheer om de schrale, bloemrijke bermen te behouden in combinatie met een gevarieerde vegetatiestructuur met bijhorend microklimaat kan de soort bekoren.
De combinatie van voldoende nectarplanten in de omgeving en geschikte nestlocaties zorgen ervoor dat veel wilde bestuivers zich hier thuis voelen.

Luchtfoto Doelpolder
Vogelkijkwand in Doelpolder
Zicht op de brakke kreek in Doelpoler
Konikpaarden in Doelpolder met havenkranen op de achtergrond
Luchtfoto Doelpolder
Vogelkijkwand in Doelpolder
Zicht op de brakke kreek in Doelpoler
Konikpaarden in Doelpolder met havenkranen op de achtergrond

Heidemeersen (Oost-Vlaanderen)

Leefgebieden in de Heidemeersen

Op de linkeroever van de Schelde, tussen de dorpskernen van Berlare en Wichelen, bevinden zich de Heidemeersen. Het gebied is verdeeld in twee deelgebieden die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De meersen liggen vlak naast de Schelde, een open landschap omgevormd tot een potpolder is momenteel een overstromingsgebied.

Meer noordelijker liggen oude rivierduinen en dekzandgebieden die op dit moment grotendeels begroeid en afgevlakt zijn. Het rivierduinengebied is zeer gevarieerd, van droog tot nat met o.a. schrale graslanden, eiken- en populierenbossen, weilanden met knotwilgenrijen, turfputten en visvijvers en ruigten.

’t Stampkot in het noordelijke gebied is een oude rivierduin die nog niet volledig is dichtgegroeid. Deze zone is een belangrijke habitat voor heel wat wilde bijen. Op deze oude landduin zijn in 2017 ook werkzaamheden uitgevoerd om hem weer open te maken, een natuurherstelproject dat heel wat kansen biedt voor de unieke soorten bijen die er voorkomen.

Wilde bijen in de Heidemeersen

De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in de Heidemeersen vind je op waarnemingen.be. Eind 2023 werden er al 67 soorten wilde bijen bevestigd.

Onderzoek door het KBIN (Deconinck et al. 2000) heeft eerder aangetoond dat de landduinen van Oost-Vlaanderen, ondanks hun geïsoleerde ligging en beperkte oppervlakte, nog steeds een bijzondere fauna bezitten. Naar aanleiding daarvan heeft Aculea, de bijen- en wespenwerkgroep van Natuurpunt, in 2017 een uitgebreide inventarisatie uitgevoerd in de Heidemeersen op de landduin 't Stampkot. Er zijn heel wat zeldzame zandsoorten gevonden tijdens de gerichte inventarisaties naar wilde bijen op deze rivierduin.

Er is een grote populatie zilveren zandbijen gevonden. Die zeldzame zandbij graaft zijn nesten in schaars begroeide zandige bodems. In Vlaanderen zijn die soorten vooral te vinden in landduinen en zandopspuitingen in de provincies Antwerpen en Limburg. De soort vind je ook in een aantal oude rivierduinen in Oost-Vlaanderen. De zeer zeldzame kleine bleekvlekwespbij is een van de parasieten van de zilveren zandbij. Die soort komt slechts op enkele plekken in België voor, maar is hier ook waargenomen. 

Andere interessante soorten van dit gebied zijn onder andere kortsprietgroefbij, glanzende groefbij en heidebronsgroefbij. Stuk voor stuk soorten die voornamelijk of uitsluitend terug te vinden zijn in gebieden met zandige bodems.

De lijst van soorten die in deze landduin voorkomen, bevat ook heel wat koekoeksbijen, waaronder een aantal zeldzame soorten. Op deze plek kun je de gedrongen wespbij terugvinden, de parasiet van de ereprijszandbij. Ook de bruinsprietwespbij, die parasiteert op de kleine roetbij, komt voor. Die soorten worden slechts op een handvol plaatsen in België waargenomen, waardoor de waarnemingen uniek zijn. 

Top van landduin Stampkot die weer wordt opengemaakt.
Kleine bleekvlekwespbij
Top van landduin Stampkot die weer wordt opengemaakt.
Kleine bleekvlekwespbij

Bos van Aa - Kollintenbos (Vlaams-Brabant)

Leefgebied in Bos van Aa - De Kollinten

Dit natuurgebied bestaat uit twee deelgebieden, namelijk het Bos van Aa en de Kollinten. Beide gebieden hebben hun eigen geschiedenis en unieke natuur.

Het Bos van Aa werd al in de 14e eeuw genoemd als een bos van ongeveer 400 bunder (500 ha) groot. Aan het einde van de 19e eeuw was er weinig meer over van het bos en was het grotendeels omgezet in landbouwgebied.

In de jaren zeventig, toen er een nieuwe sluis in Zemst werd aangelegd, werd er een gebied van 120 ha omdijkt om het slib te storten dat vrijkwam bij de aanleg van de sluis. Aan het eind van de jaren zeventig is men begonnen met het winnen van het zand uit de overblijfselen van het opgespoten slib. Er werd steeds dieper gegraven, waardoor er een zandgroeve ontstond. Die groeve is vervolgens deels opnieuw opgevuld, maar de sporen van de zandontginning zijn nog steeds zichtbaar in de vorm van diepe vijvers en wegen uit steenslag.

De geschiedenis van de zandontginning heeft ertoe geleid dat het Bos van Aa vandaag de dag nog als ‘jonge’ natuur bestempeld moet worden. In het gebied zijn er pionierbossen, wilgenstruwelen en schrale graslanden aanwezig, waar grote vijvers een dominante aanwezigheid hebben.

Het gebied de Kollinten ligt tussen de vroegere zandgroeve in het Bos van Aa en de dorpskom van Zemst-Laar. Dit gebied is een aaneenschakeling van bos, hooilanden en poelen, doorsneden en gevoed door de levensader van het gebied, de Laarbeek.

Het Kollintenbos heeft, ondanks de aanplant van Canadapopulieren, een natuurlijke diversiteit kunnen behouden. Dat is vooral te danken aan de Laarbeek, die zich als een natuurlijke beek door het bos slingert en in de winter het hele gebied onder water zet. Die overstromingen hebben ervoor gezorgd dat de populieren ziek werden en afstierven, waardoor er licht en ruimte voor de oorspronkelijke boom- en plantensoorten in het gebied vrijkwam.

De Ferrariskaart (rond 1770) toont aan dat het Kollintenbos toen al bos was, net als het Gravenbos een paar kilometer verderop. De leeftijd van het bos is terug te vinden in de aanwezige soorten, plantensoorten zoals bosanemoon, slanke sleutelbloem en éénbes gedijen alleen op minimaal 250 jaar oude bosgronden.

Wilde bijen in het Bos van Aa - Kollintenbos

Het deelgebied Bos van Aa, met zijn pioniersvegetatie en dagzomend zand, is het interessantst voor wilde bijen. Eind 2023 werden in het Bos van Aa al 160 bevestigde soorten wilde bijen aangetroffen. Dankzij de aanwezigheid van vele wilgen in dit deelgebied zijn er in het voorjaar heel wat unieke en vaak gespecialiseerde bijen actief. In dit gebied kun je soorten als de donkere wilgenzandbij, de doornkaakzandbij, de dageraadzandbij en de wilgenhommel terugvinden. Er zijn ook verschillende zeldzame dwergzandbijen bekend, zoals de glimmende dwergzandbij, de gekielde dwergzandbij en de breedbanddwergzandbij.

In de steilranden die zich op het terrein bevinden, overblijfselen van de ontginning, nestelen heel wat wilde bijen, waaronder de steilrandgroefbij. In het natuurgebied zijn er een groot aantal stabiele populaties wilde bijen, met als resultaat dat er heel wat koekoeksbijen zijn terug te vinden. Er zijn verschillende zeldzame soorten, zoals de sele tubebij, vroege bloedbij, stomptandwespbij, kielstaartkegelbij en schubhaarkegelbij, te vinden, samen met een groot aantal wespbijen.

Typische soorten als steilrandgroefbij en dageraadzandbij komen er voor. Ook enkele erg zeldzame bijensoorten zoals kleine lookmaskerbij, ogentroostdikpoot en gouden bronsgroefbij werden reeds in het gebied waargenomen.

  • De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in Bos van Aa - Kollintenbos kun je raadplegen op waarnemingen.be >
Donkerewilgenzandbij
Bijenonderzoek op steilwanden in Bos van Aa
Donkerewilgenzandbij
Bijenonderzoek op steilwanden in Bos van Aa

Beninksberg (Vlaams-Brabant)

Leefgebied

De Beninksberg, een van de best bewaarde typische Hagelandse Diestiaanheuvels, is een restant van een zandbank die bij het terugtrekken van de Diestiaanzee zeven miljoen jaar geleden boven het landschap bleef uitsteken. Vanop die heuvel kun je daardoor vandaag nog genieten van prachtige panorama’s over de aangrenzende Wingevallei. De Beninksberg omvat alle typische elementen van een Diestiaanheuvel: de donker roodbruine ijzerzandsteen, steile zuidhellingen met droge heidevegetaties en koelere noordhellingen met vochtige heischrale graslanden.

Planten en hun wilde bestuivers

De noord- en zuidflank verschillen vrij sterk. De warme, droge en schrale zuidhelling wordt gedomineerd door struikheide en pijpenstro. Daar zit onder andere de heidezandbij en diens koekoeksbij: de heidewespbij. In de boomlaag overheersen ruwe berk en zomereik. Daar werd al de eikenzandbij waargenomen. Op de open plekken zijn zandblauwtje, bosdroogbloem, mannetjesereprijs, fraai hertshooi, pilzegge, gewone brem, schapezuring en gaspeldoorn aanwezig. De bruine bremzandbij vliegt zoals de naam aangeeft graag op brem en andere vlinderbloemigen. Ook de rupsen van grijsgroene zomervlinder leven van brem, stekelbrem en zelfs gaspeldoorn.

Op de koelere noordflank wordt de kruidlaag gedomineerd door blauwe bosbes. De bosbesbij is er dan ook al gespot, net als nachtvlinders als bosbesbruintje en bosbesuil. Op de vochtigste plaatsen komen hier planten zoals gewone dopheide, koningsvaren en liggende vleugeltjesbloem voor. 

De holle wegen rondom het reservaat bieden een afwisseling van schaduwrijke bosachtige begroeiing en zonbeschenen soortenrijke ruigtes. Er groeien zeldzame soorten als eikvaren, grasklokje, rapunzelklokje, blauwe knoop en grote veldbies. De klokjes voorzien de kleine en grote klokjesbij van voldoende voedsel.

De unieke gradiënten zorgen voor een grote verscheidenheid van planten die op hun beurt veel wilde bestuivers aantrekken. Die planten dienen niet alleen als waardplanten voor tal van rupsen van dag- en nachtvlinders, maar de nectar en stuifmeel zijn ook een goede voedselbron voor onder andere wilde bijen, zweefvliegen…   

Ook is er voldoende nestgelegenheid, zowel op de zandige delen als in de holle wegen. Vele wilde bijen bouwen bovendien een nestje in de voormalige zandgroeve aan de zuidwestrand van de heuvel.

Deze combinatie van voldoende voedsel in combinatie met veel nestgelegenheden en een goed microklimaat zorgen ervoor dat dit gebied uitermate geschikt is voor tal van wilde bestuivers.

Panoramisch zicht vanop zitbank in Beninksberg
konikpaarden in Beninksberg
Hengel
Gaspeldoorn
Oude zandgroeve Beninksberg
Panoramisch zicht vanop zitbank in Beninksberg
konikpaarden in Beninksberg
Hengel
Gaspeldoorn
Oude zandgroeve Beninksberg

Rosdel (Vlaams-Brabant)

Leefgebied in Rosdel

Het belangrijkste leefgebied voor wilde bijen in Rosdel is de grote oppervlakte bloemrijke warme graslanden. Die zijn zowel gelegen in de vallei als op de drogere flanken op een kalkrijke bodem, en worden aangevuld met geleidelijke overgangen naar bloeiende warme struwelen en bosranden. Ze zijn ontstaan begin jaren 2000. In het kader van een grootschalige ruilverkaveling werden toen tientallen hectaren akkerland in natuurgebied omgezet, met een spectaculaire toename van de biodiversiteit in het algemeen en wilde bijen in het bijzonder.

Sinds de oprichting van het reservaat werden (en worden) de graslanden geleidelijk gekoloniseerd door voor bijen erg waardevolle bloemen als wilde marjolein, rode ogentroost, wondklaver, beemdkroon, borstelkrans of groot streepzaad, maar ook de algemenere rode klaver, wilde peen, veldlathyrus of gewone rolklaver. Daarop worden tijdens de vaak massale bloei grote aantallen wilde bijen en andere bestuivers waargenomen. Belangrijk is een aangepast maaibeheer dat de ontwikkeling van deze open bloemrijke graslanden toelaat, maar voldoende gefaseerd is en met een uitgekiend maaitijdstip om steeds en op de goede momenten een gedekte tafel te voorzien voor bestuivers. Mede dankzij het heuvelachtige landschap is er heel wat nestgelegenheid voor grondnestelende bijen ontstaan, waaronder zuidgerichte taluds, steilkanten en warme open hellingen met veel kale bodem. Daarin kunnen met gemak duizenden bijen van tientallen soorten nestelen. Een goed beheer van die structuren is dan ook een belangrijke beheermaatregel voor wilde bijen. Struweelbeheer voorziet in geleidelijke overgangen tussen grasland en bos, wat zowel voor bloeiende struiken zorgt als voor bovengrondse nestgelegenheid in de vorm van holle stengels of zelfs slakkenhuisjes.

Wilde bijen in Rosdel

Eind 2023 werden in het Rosdel al 113 bevestigde soorten wildebijensoorten aangetroffen. Geregeld vinden de lokale bijenkenners nog nieuwe soorten. De volledige soortenlijst staat op waarnemingen.be. Het gebied staat vooral bekend voor de knautiabij, een opvallende en op het roze stuifmeel van beemdkroon gespecialiseerde zeldzame soort. Een uitgekiend maaibeheer zorgt hier en in de rest van Hoegaarden nog jaarlijks voor toenemende aantallen. Ook heel wat andere bijen van bloemrijke graslanden hebben dankzij het graslandherstel - vaak erg grote - populaties opgebouwd. zoals een reeks hommelsoorten, de van bloeiende vlinderbloemigen afhankelijke gewone langhoornbij, donkere klaverzandbij, geelstaartklaverzandbij, de op het massaal bloeiende groot streepzaad vliegende Texelse zandbij of de van zomerse schermbloemen afhangende schermbloemzandbij. Ook hun - vaak erg zeldzame - koekoeksbijen zijn er opgedoken, zoals onlangs de van langhoornbijen afhankelijke grote wespbij. Dat is een teken dat het goed gaat met de populaties van hun gastvrouwen. Bijensoorten die voor hun nestgelegenheid afhangen van de steilkanten zijn bijvoorbeeld zwarte sachembij en borstelgroefbij. Dankzij de natuurontwikkeling en het goede (detail)beheer duiken er nog regelmatig spectaculaire nieuwe bijensoorten op waaronder de zuidelijke langhoornbij en de gedoornde slakkenhuisbij. Sommige zoals de moshommel, een bijna verdwenen hommelsoort, kregen heel wat persaandacht. De tweekleurige slakkenhuisbij nestelt in lege slakkenhuisjes in warme kalkrijke struweelranden en zomen. Twee jaar geleden werd in Rosdel een kleine populatie ontdekt, voor zover bekend de enige in Vlaanderen.

Knautiabij
Knautiabijbeheer op Caberg in Rosdel
Tweekleurige slakkenhuisbij
Grasland in bloei in Rosdel, Hoegaarden
Grote wespbij
Knautiabij
Knautiabijbeheer op Caberg in Rosdel
Tweekleurige slakkenhuisbij
Grasland in bloei in Rosdel, Hoegaarden
Grote wespbij

Paelsteenpanne (West-Vlaanderen)

Leefgebieden in de Paelsteenpanne

De Paelsteenpanne ligt aan de voet van de imposante Spanjaardduin, de hoogste duin van de Middenkust, op de grens met De Haan. Het erg kalkrijk gebied bestaat uit een bont mozaïek van verschillende habitats. De afwisseling in vegetatie levert er tal van natuurpareltjes op.

Er zijn onder andere mosduinen, kleurrijke kalkgraslandjes met duinsterretjesmos, muurpeper, walstrobremraap en bokkenorchis te vinden. Een aantal jaren geleden heeft zich ook een nieuwe zeereepduinrij voor de vorige gevormd. Typische soorten hiervoor zijn zeeraket en stekend loogkruid. De stuifduinen zijn dan weer het leefgebied van soorten zoals zeewinde, blauwe zeedistel en duinfranjehoed.

De kalkrijke panne bevat ook een aantal vrijwel ondoordringbare duindoornstruwelen. Tegen de zeereepduinen is onder invloed van uitstuiving door de wind tot op de grondwatertafel een vochtige duinvallei ontstaan. Die komt in de winter vaak onder water te staan. 

Deze vochtige omgeving is opnieuw een waardevolle habitat. Er bloeien zeldzame planten, zoals duizendguldenkruid, moeraswespenorchis, geelhartje, addertong en zomerbitterling. In het gebied zijn er ook enkele duinpoelen. Die vochtige habitats zijn geschikt voor wilde bijen die gebonden zijn aan vochtige omgevingen.

Wilde bijen in de Paelsteenpanne

De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in de Paelsteenpanne is te raadplegen op waarnemingen.be en bevat eind 2023 al 73 bevestigde soorten wilde bijen.

De Vlaamse kustduinen zijn een laatste toevluchtsoord geworden voor verschillende soorten bijen die alleen voorkomen in gebieden met een zandige bodem. In de Paelsteenpanne zijn verschillende soorten te vinden, zoals de kustbehangersbij, die in geen enkele andere bijenreservaat terug te vinden is.

Aangezien de Paelsteenpanne een kalkrijk gebied is, zijn er veel lege slakkenhuisjes te vinden. De gedoornde slakkenhuisbij gebruikt die om nestcellen in aan te leggen. De aanwezigheid van een grote gezonde populatie gedoornde slakkenhuisbijen in dit gebied maakt dat de slakkenhuistubebij hier te vinden is. Die soort was tot voor kort alleen waargenomen aan de Belgische kust, maar is nu ook te vinden op enkele plekken in het binnenland.

In dit gebied zijn er ook heel wat soorten die gebonden zijn aan de natte biotopen, zoals de glanzende bandgroefbij. De wafelbloedbij, de koekoeksbij die op deze soort parasiteert, werd ook in het gebied waargenomen.

Kustbehangersbij
Paelsteenpanne grasland in bloei
Kustbehangersbij
Paelsteenpanne grasland in bloei

De Vaarttaluds Moen (West-Vlaanderen)

Leefgebied in Vaarttaluds Moen

Het natuurgebied De Vaarttaluds ligt in Moen, een landelijke deelgemeente van Zwevegem. De streek is vooral bekend vanwege zijn vruchtbare leembodem. Vroeger (en nu nog) werd er vooral landbouw bedreven, waardoor dit historisch een bosarm gebied is.

Het kanaal Bossuit-Kortrijk, waar het gebied zijn ontstaan heeft aan te danken, loopt midden door het natuurgebied. In 1857 zijn de graafwerken gestart voor een verbindingskanaal tussen de Schelde en Leie. Er is toen, dwars door de heuvelrug, die de waterscheiding tussen de hoger genoemde waterlopen vormde, een tunnel gegraven ter hoogte van Moen. In 1971 is de tunnel omgevormd tot een open geul door 2,25 miljoen m3 af te graven. Met de vrijgekomen gronden zijn omliggende landbouwgronden opgehoogd (het huidige Orveytbos) en zijn de dagzomende taluds spontaan ontwikkeld tot het natuurgebied De Vaarttaluds.

Het natuurgebied is een afwisselend landschap met bos, bloemrijke graslanden en struwelen met tal van beschutte plekken. Dankzij de kalkrijke hellingen en voormalige ophogingen is er een reliëfrijk landschap met voldoende nestplaatsen voor ondergronds nestelende bijen.

Het gebied kent een groot aantal verschillende biotopen, waardoor je in het gebied een grote verscheidenheid aan soorten aantreft. De primaire bossen, die gedomineerd worden door zomereik, wisselen af met pioniersbossen, die voornamelijk uit wilgen bestaan, en struwelen. De hoger gelegen graslanden hebben een lemige bodem en zijn dus voedselrijk. Er ligt een dikke laag Iperiaanklei onder de leemlaag, die veel minder voedsel bevat. Die kleilaag ligt op verschillende plekken op de taluds aan het oppervlak, waardoor er verschillende schrale, bloemrijke graslanden aanwezig zijn. Diverse kwelzones zorgen dan weer voor vochtige habitats.

Wilde bijen in Vaarttaluds- Moen

Eind 2023 werden hier reeds 95 soorten wilde bijen bevestigd. In het voorjaar kun je, door de aanwezigheid van pioniersbossen, heel wat wilde bijen zien. Een van de meest bijzondere soorten is de donkere wilgenzandbij, een zandbij die op wilgen is gespecialiseerd.

De bloemenpracht van de kalkgraslanden trekt later op het jaar ook heel wat wilde bijen aan. Dit natuurgebied is de enige plek in West-Vlaanderen waar de schermbloemzandbij tot nu toe werd waargenomen. Die bij komt ook in de rest van België maar op enkele plekken voor. Deze zandbij is, zoals de naam al aangeeft, gespecialiseerd op schermbloemigen. In dit gebied is hij vooral terug te vinden op wilde peen en grote bevernel. De grote bandgroefbij is een soort die vooral voorkomt in bosranden, maar is ook aanwezig in het gebied.

Op de voedselrijke leemgronden komt rode ogentroost, een eenjarige halfparasiet op de wortels van grassen, vaak voor. De ogentroostdikpoot, die zich op deze plant heeft gespecialiseerd, vind je hier daardoor ook.

  • De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen op de Vaarttaluds - Moen kun je raadplegen op waarnemingen.be >
Schermbloemzandbij
Grasland in bloei op Vaarttaluds Moen
Schermbloemzandbij
Grasland in bloei op Vaarttaluds Moen

Westhoek (West-Vlaanderen)

Bijen in de Westhoek

Ook het natuurgebied de Westhoek is een trekpleister voor tal van wilde bestuivers vanwege de grote variatie aan verschillende habitats en de grootte van het gebied. Daardoor is er veel nestgelegenheid en een divers aanbod qua voedsel.

Niet alleen wilde bijen zijn wilde bestuivers, maar ook zweefvliegen, dag- en nachtvlinders, kevers en andere insecten vallen in die categorie. In de recente rode Lijst voor nachtvlinders (Veraghtert, 2023) staat de Westhoek vernoemd als belangrijk gebied waar verschillende rodelijstsoorten voorkomen. Ook daarbij speelt de variatie en de grootte van het gebied een belangrijke rol. Hoe meer soorten planten er voorkomen in een gebied, hoe meer voedsel er is voor de rupsen van de nachtvlinders. Sommige rupsen lusten maar één plant of één plantenfamilie. Zij zijn gespecialiseerd om die planten op te kunnen eten, want elke plant heeft zijn eigen verdedigingsmechanisme (vaak slechte smaken of een soort gif). Andere rupsen zijn minder kieskeurig en kunnen van meerdere planten eten. Heel wat typische duinplanten dienen dan ook als waardplant voor specifieke nachtvlinders. Een voorbeeld is de rups van de wolfsmelkpijlstaart. Zoals de naam het al zegt, leeft die van wolfsmelk. Aan de kust leeft die rups van juli tot september van zeewolfsmelk. Daarna overwintert de soort als pop om in mei opnieuw uit te vliegen.

Ook qua wilde bijen is de Westhoek een hotspot. Het gebied staat bekend om enkele typische duinsoorten, zoals de kustbehangersbij. Die grote soort nestelt in de zandige duinen maar heeft ook voldoende nectarplanten nodig als voedsel. In die populatie is de grote kegelbij gevonden, een soort koekoeksbij. Koekoeksbijen gebruiken dezelfde strategie als de koekoek: de vrouwtjes profiteren van het werk van andere bijen. Ze dringen het nest van de gastheer binnen, bijten het eitje van de gastheer door en leggen een nieuw eitje bij de voedselvoorraad die verzameld werd door de gastheer. Daarom doen koekoeksbijen geen moeite om stuifmeel te verzamelen voor het nageslacht. Ze laten het zware werk door andere bijen uitvoeren. Sommige koekoeksbijen zijn gespecialiseerd in één bij. Dus als je die koekoeksbij vindt, weet je dat de gastheer ook aanwezig is.

De meeste soorten nestelen in zand, maar er zijn ook een aantal soorten die in dood hout nestelen of in lege slakkenhuisjes, zoals de gedoornde slakkenhuisbij. Die soort is ook talrijk aanwezig in de duinen, waar veel (lege) slakkenhuisjes aanwezig zijn. De slakkenhuistubebij, een soort koekoeksbij, is er ook waargenomen.

Beheer van de Westhoek

Bestuiversvriendelijk beheer houdt in dat we voldoende met de noden van wilde bestuivers rekening houden binnen het reeds uitgevoerde beheer. Door gebrek aan de natuurlijke dynamiek zouden de pioniersvegetaties vergrassen, verruigen of verstruwelen. Ook invasieve exoten verdringen de lokale plantenpopulaties. Dat zijn vaak ontsnapte tuinsoorten die alles overwoekeren. Als we niets doen, krijgen verschillende planten geen licht meer om te kunnen bloeien. Die planten zijn nodig als voedsel voor de rupsen of voor nectar voor de bijen en vlinders. Grote grazers komen bij ons in het wild niet vaak meer voor. Via begrazing  van onder andere paarden en koeien proberen we die van oudsher toegepaste begrazing in het gebied in te zetten waardoor de schrale vegetaties kunnen overleven en het zonlicht tot de bodem kan schijnen. Ook de vertrappeling van de dieren zorgt voor open grond. Die open warme stukken worden niet alleen gebruikt als nestgelegenheid, maar bieden ook kansen omdat verschillende planten er kunnen kiemen.

  • De soortenlijst van de waargenomen wilde bijen in de Westhoek kun je raadplegen op waarnemingen.be >
Westhoek
Westhoek
Konikpaarden
Westhoek
Westhoek
Konikpaarden
Op deze pagina