Hoe gebeuren de metingen?

Hoe gebeuren de metingen?


Voorbereiding veldwerk

Vooraleer de terreinploegen kunnen meten is heel wat voorbereidend werk nodig.

Het meetnet van de bosinventaris bestaat uit een netwerk van meetpunten, gelegen op een raster van 1 km x 0,5 km. Zo zijn er over heel Vlaanderen 26.730 punten.

Eerst controleren we of die punten in bos liggen of niet. In een voorbereidende fase controleren we op een luchtfoto of het meetpunt bos, mogelijk bos of zeker geen bos is. Alle punten die zeker of mogelijk bos zijn, worden in de werkplanning van de terreinploegen opgenomen.

Daarvoor gebruiken we steeds de meest recente, beschikbare orthofoto’s.

Vervolgens schrijven we de eigenaars van deze meetpunten een brief met de mededeling dat er metingen zullen plaatsvinden. Soms is het bos niet vrij toegankelijk en vragen we contact op te nemen om eventueel een afspraak te maken met de terreinploegen.

Personen, aangesteld door het Agentschap voor de uitvoering van de bosinventaris hebben toegang tot alle bossen voor het uitvoeren van die opdracht.

Veldwerk

Het veldwerk gebeurt in twee seizoenen:

  • In de wintermaanden (oktober – maart) meet de ploeg het bosbouwproefvlak op.
  • In de periode april – september volgt het vegetatieproefvlak met de inventarisatie van de vegetatie.

Bosbouwproefvlak

De bosbouwgegevens verzamelen we in proefvlakken bestaand uit 3 concentrische cirkels. Naargelang de afmetingen van de boom gebeuren de metingen in één van de cirkels.

Vegetatieproefvlak

De vegetatieopnames voeren we uit binnen een proefvlak van 16 m x 16 m, gebruik makend van de schaal Braun-Blanquet.

Protocol

Tijdens de uitvoering van het terreinwerk volgen de terreinploegen een uitgeschreven protocol. Bij de start van een veldseizoen nemen we het protocol opnieuw door en frissen het op. Tussen twee cycli is het mogelijk dat kleine aanpassingen aan het protocol nodig zijn.

Methodologische aanpassingen tussen drie cycli van de Vlaamse bosinventaris

Zowel de opzet van de steekproef (steekproeftrekking, steekproefgrootte en steekproefontwerp), als een aantal meetvariabelen van VBI2 en VBI3 zijn gewijzigd ten opzichte van de eerste bosinventaris (VBI1).

Hieronder wordt een kort overzicht gegeven van de aanpassingen (voor het volledige overzicht en argumentatie wordt verwezen naar Wouters et al., 2008).

Bij de start van VBI3 werden ook ten opzichte van de tweede bosinventaris (kleine) aanpassingen doorgevoerd.

Eerste Vlaamse bosinventaris (VBI1)

  • Steekproefontwerp bosbouwopnames: 0,5 km x 1 km
  • Steekproefontwerp vegetatieopnames: 1 km x 1 km
  • Definitie bos: cf. Bosdecreet + minimumdimensies 0,5 ha, 25 m breed en 20% kroonprojectie
  • FASE 1: selectie van proefvlakken voor terreinbezoek : alle proefvlakken van het steekproefontwerp die bos bevatten volgens de Boskartering (1990)
  • FASE 2: de weerhouden punten werden op terrein opgezocht om een inventarisatie uit te voeren. Mogelijke redenen om toch geen inventarisatie uit te voeren waren :
    • te kleine dimensies
    • geen bos
    • weigering
    • niet toegankelijk
  • Homogeniteitsprincipe bij vegetatie-opnames: plots die op een grens- of overgangspositie liggen werden verplaatst.
  • Omtrekmetingen op 150 cm
  • Staalname van mossen
  • Bodemstalen
  • Dood hout : inschatting in klassen.
  • Hakhout wordt enkel opgemeten in de concentrische cirkel A2 (straal 4.5m)

Aanpassingen steekproefopzet VBI2 en VBI3 ten opzichte van VBI1

  • Steekproefontwerp voor vegetatie = steekproefontwerp voor bosbouwopnames : 0.5km x 1km
  • Continu meetnet, meetperiode = 10 jaar
  • Bos volgens de definitie van het Bosdecreet, art. 3.
  • FASE 1: Alle punten werden op de meest recente luchtfoto beoordeeld als ‘bos’ / ‘twijfelgeval’ (weerhouden) of als ‘geen bos’ (niet weerhouden). Punten die tijdens de eerste bosinventaris werden opgemeten, werden sowieso weerhouden.
  • FASE 2: de weerhouden punten werden op terrein opgezocht om een bosinventaris uit te voeren. Mogelijke redenen om toch geen inventarisatie uit te voeren waren :
    • geen bos
    • weigering
    • niet toegankelijk
  • Geen homogeniteitsprincipe bij vegetatie-opnames: ook overgangszones, binnen en buiten bos worden geïnventariseerd.
  • Een aantal plotnummers van de eerste bosinventaris werd opnieuw geïnstalleerd als een nieuw punt, op de exacte, theoretische positie van de steekproef.
    • punten die tijdens de eerste bosinventaris om inhoudelijke redenen werden verlegd (rand/overgangspunten)
    • punten van de eerste bosinventaris die geen bos (meer) bleken te zijn
    • punten van de eerste bosinventaris die niet werden teruggevonden omdat de positie ervan niet voldoende kwalitatief was gedocumenteerd
  • De vegetatieproefvlakken worden standaard naar het noorden georiënteerd.
  • afschaffing van de A1 cirkel (2,25 m) – de bedekking van zaailingen wordt opgenomen in het vegetatieproefvlak.
  • Hakhoutspillen worden gemeten in A3 en A4 cirkel.
  • Omtrekmetingen op 130 cm i.p.v. 150 cm
  • Er worden geen bodemstalen genomen.
  • Geen staalname van mossen
  • Gebruik van hardware en software technologie FieldMap, toepassing van gekoppelde metingen op boomniveau
  • Liggend dood hout wordt ook gemeten, hiervoor wordt de Line Intersect Methode gebruikt (Formule Van Wagner, 1964).
  • Hoogtemeting bij staand dood hout en hakhoutstoof
  • Houtkwaliteit wordt voor de 5 belangrijkste boomsoorten opgemeten, volgens een meer beperkte set van meetvariabelen dan de eerste bosinventaris (bv ook geen bepaling van de schorsdikte)
  • Het socio-recreatief gebruik wordt niet geëvalueerd.

Aanpassingen steekproefopzet VBI3 ten opzichte van VBI2

  • Definitie bos: inclusief boswegen, brandwegen, onverhard of verhard en <6m breed en >6m indien onverhard.
  • FASE 1: Alle punten werden op de meest recente luchtfoto beoordeeld als ‘bos’ (weerhouden) of als ‘geen bos’ (niet weerhouden). Punten die tijdens de vorige bosinventaris werden opgemeten, werden sowieso opnieuw weerhouden.
  • Meer uitgebreide beschrijving van het landgebruik: BOS – Open ruimte binnen bos (FOA (Forest Open Area)) – GEEN BOS + onderscheid in categorieën
  • Gekoppelde metingen op boomniveau: uitbreiding met BoomStatus: voor elke boom, opgemeten in VBI2 wordt een status genoteerd (geen wijziging, ..gekapt)
  • Ongelijkjarige bestanden: ook de leeftijdsklasse van de oudste leeftijdsklasse aanwezig wordt genoteerd.
  • Habitattype: het habitattype wordt genoteerd (volgens protocol BWK en Habitatkartering – deel 4 de bossleutel, Vandekerkhove et al., 2017).

Materiaal

De omtrekken van de bomen meten we met een meetlint. Hoogtes worden gemeten door middel van afstand- en hoekbepaling (ultrasound (VERTEX) of laser (Impulse / ForestPro – Laser Technology).

        


Het centrum van elk meetpunt is gemarkeerd. Om deze markering terug te vinden wordt een metaaldetector gebruikt.

Voor afstandsbepaling en de bepaling van de coördinaten van de bomen binnen een plot gebruiken we laser en elektronisch kompas.

Indien de omstandigheden het toelaten (weinig kroonsluiting, veldwerk in de wintermaanden in loofhout) wordt GNSS of RTK navigatie toegepast om het plotcentrum snel terug te vinden (Trimble Pro6H toestel).

Specifieke software (FieldMap) ondersteunt de navigatie naar het meetpunt en de volledige opname in het bosbouwseizoen en in het vegetatieseizoen, inclusief on-field datacontrole (afwijkende waarden, ontbrekende gegevens).

Dataverwerking

Meer info: Analysestramien van de tweede Vlaamse bosinventarisatie.

Dataverwerking met behulp van open source R-software (R Core Team (2019). R: A language and environment for statistical computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria en FieldMap Inventory Analyst.