Algemeen

Algemeen

Ik wil een nieuw natuurbeheerplan opstellen

Het opmaken van een natuurbeheerplan vangt aan met het invullen van deel 1 Verkenning van een natuurbeheerplan. Vooraleer je kan starten met de opmaak van deel 1 Verkenning van een natuurbeheerplan, moet duidelijk zijn of je kiest voor enerzijds een natuurbeheerplan type één of anderzijds een natuurbeheerplan type twee, drie of vier.

Een natuurbeheerplan type één is enkel mogelijk voor private terreinen, die niet gelegen zijn in het VEN of in een SBZ. Dit natuurbeheerplan heeft als doel de aanwezige natuurkwaliteit te behouden (zorgplicht).

Dit natuurbeheerplan type één heeft als enig voordeel dat de meeste beheermaatregelen vrijgesteld zijn van vergunningsplicht (zie meer info onder Vergunningen –ontheffingen- afwijkingen. Voor een natuurbeheerplan type één zijn er enkel subsidies voor openstelling mogelijk. Er zijn ook geen fiscale voordelen aan gekoppeld.

Heb je de ambitie om een hogere natuurkwaliteit te bereiken en wens je in aanmerking te komen voor subsidies en fiscale voordelen, dan kies je best voor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier.

Combinatie van meerdere ambitieniveaus in één natuurbeheerplan

Een natuurbeheerplan type één , met behoud van de aanwezige natuurkwaliteit, kan niet gecombineerd worden met natuurbeheerplannen, types twee, drie of vier, die een hogere natuurkwaliteit  tot doel hebben.

Een natuurbeheerplan van type één moet enkel voldoen aan de zorgplicht en in bepaalde gevallen is de goedkeuringsprocedure eenvoudiger.

Terreinen van type twee, drie en vier kunnen wel gecombineerd worden in een zelfde beheerplan. Deze beheerplannen moeten allen voldoen aan de criteria voor geïntegreerd natuurbeheer. In dat geval wordt bij het beheerplan een kaart gevoegd met aanduiding van de zones en het bijhorend type. Deze zones kunnen niet overlappen. Elk punt van het terrein behoort tot één enkel type.

De toetsing van het ambitieniveau gebeurt per zone. In de zone voor type twee moet dus minstens 25% van de oppervlakte voorzien worden voor het realiseren van een natuurstreefbeeld. De oppervlakte natuurstreefbeeld in de zone voor type drie  mag hier dus niet meegerekend worden.

Minimale oppervlakte voor natuurbeheerplannen van type drie en vier

Om de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden duurzaam in stand te kunnen houden, moeten de beheerde terreinen, in samenhang met de ruimere omgeving, een voldoende oppervlakte hebben. Het behalen van de hoogste natuurkwaliteit vergt immers geschikte milieucondities, wat meestal samengaat met voldoende grote gebieden met natuurlijke milieuomstandigheden.

Een beheerder kan maar kiezen voor type drie en vier indien voldaan wordt aan bijkomende oppervlaktecriteria.

Deze oppervlaktecriteria zijn:

Vereisten voor de inhoud van het beheerplan

Bij natuurbeheerplannen type één zorgt de beheerder ervoor dat de aanwezige natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu in stand gehouden worden en dat de zorgplicht nageleefd wordt  (ND art. 14, §1: bij ingrepen in de natuur wordt vernietiging of schade zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of hersteld).

Natuurbeheerplannen voor terreinen van type twee, drie en vier moeten voldoen aan de criteria voor geïntegreerd natuurbeheer. Ze vormen een leidraad en dienen als garantie voor een duurzaam beheer op maat van het natuurterrein.

De beheerdoelstellingen en –maatregelen in een natuurbeheerplan moeten  afgetoetst worden aan de volgende goedgekeurde plannen en programma’s:

Criteria voor geïntegreerd natuurbeheer

De criteria voor geïntegreerd natuurbeheer vormen een leidraad bij de opmaak van een natuurbeheerplan van type twee, drie of vier en bij het daaruit volgende beheer van het betreffende terrein.

De criteria voor geïntegreerd natuurbeheer worden gegroepeerd in 3 thema’s:

  • het bereiken van een verhoogde of de hoogste natuurkwaliteit
  • het rekening houden met de sociale rol van het terrein
  • het op duurzame wijze omgaan met de levering van verschillende goederen en diensten

Deze criteria moeten op een redelijk en technisch verantwoorde wijze nageleefd worden, zonder dat op elk ogenblik en op elke plaats van het terrein aan elk van de criteria moet voldaan zijn.

Afwijken is mogelijk, mits motivatie in het natuurbeheerplan, waarbij aangetoond wordt dat het desbetreffende criterium niet toepasbaar of niet relevant is en voor zover de afwijking de realisatie van de beheerdoelstellingen niet belemmert.

Een volledige beschrijving van alle criteria en indicatoren is terug te vinden in de bijlage bij het BVR Criteria geïntegreerd natuurbeheer.

In dit overzicht vind je een samenvattende tabel van alle criteria en indicatoren, met daarbij een verwijzing naar het deel  van het natuurbeheerplan waar elk criterium best aan bod komt.

Vereisten m.b.t. Natura 2000

Het natuurbeheerplan moet in overeenstemming zijn met de Europese natuurdoelen en met het Vlaams Natura 2000-programma:

  • Stoppen en vermijden van verdere achteruitgang tegen 2020: voor geen enkel Europees te beschermen habitat of soort mag de staat van instandhouding nog verder achteruitgaan. Dat wil zeggen dat tegen 2020 alle nodige lokale maatregelen genomen moeten zijn in die gebieden waar er een negatieve trend is of waar achteruitgang dreigt.
  • Gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 Europees te beschermen habitats tegen 2020.
  • Gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor alle andere Europese habitats en Europees te beschermen soorten tegen 2050: de inspanningen voor de Europees te beschermen habitats dragen ook bij tot de gunstige staat van instandhouding van de soorten die grotendeels van die habitats afhangen.

De Natuurdoelen uit het Natura2000-programma zijn geconcretiseerd in de managementplannen Natura 2000. Het managementplan Natura 2000 is het centrale instrument waarmee de voortgang van de implementatie van de natuurdoelen van een speciale beschermingszone wordt bijgehouden en aangestuurd. Het is de boekhouding die bijhoudt hoeveel hectaren van welk habitattype of leefgebied van een soort door welke actor op welke locatie in de gewenste staat werd of zal worden gebracht. De managementplannen Natura 2000 kan je raadplegen via https://www.natura2000.vlaanderen.be/publicaties.

Voor de realisatie van het openstaand saldo (= de natuurdoelen die nog niet zijn gedekt door natuurbeheerplannen of er mee gelijkgestelde plannen) wordt per Europees te beschermen habitat of per Europees te beschermen soort een zoekzone gevrijwaard. De zoekzone is een belangrijke toetssteen bij de opmaak van natuurbeheerplannen: bij elk nieuw natuurbeheerplan in een speciale beschermingszone zal worden nagegaan wat de bijdrage kan zijn aan de Europese natuurdoelen. Deze toets zal gebeuren door de percelen uit het beheerplan af te zetten tegen de richtkaart en de daaraan verbonden openstaande saldo’s. De beheerplannen leggen vast wie wat wanneer en waar doet op vlak van beheer van habitattypes en leefgebieden van soorten.

Meer info over het begrip richtkaart en hoe je de zoekzones kunt raadplegen vind je op de website van natura 2000.

Alle natuurbeheerplannen moeten afgetoetst worden aan het managementplan Natura 2000, maar voor de volgende terreinen is er bovendien maximale afstemming op de bepalingen van het managementplan Natura 2000 vereist, voor zover de terreinen liggen binnen een zoekzone in een SBZ (ND art. 16septies):

  • natuurdomeinen
  • openbare terreinen
  • terreinen die werden verworven met aankoopsubsidies

Dit is de vertaling van het principe ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’ uit het Natura 2000-programma.

Geïntegreerd beheersplan

Als het terrein waarvoor je een natuurbeheerplan wil opstellen tegelijk ook beschermd onroerend erfgoed omvat of ligt in een erfgoedlandschap, dan kan je ervoor kiezen een geïntegreerd beheersplan op te stellen, dat de verschillende beheerdoelstellingen vanuit natuurbehoud én onroerend erfgoed samenbrengt in één plan en één afgestemde gebiedsgerichte visie garandeert binnen de geldende regelgeving. 

Meer info: https://www.onroerenderfgoed.be/nl/beheer/beheersplannen