Boscompensatie als bindende voorwaarde bij een omgevingsvergunning tot ontbossing

Boscompensatie als bindende voorwaarde bij een omgevingsvergunning tot ontbossing

Om een gelijkwaardig bosareaal te behouden in Vlaanderen geldt er een boscompensatieplicht voor: 

  • de houder van de omgevingsvergunning tot ontbossing (tenzij er al werd gecompenseerd door de houder van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden)
  • de houder van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden als de verkaveling in een deels of geheel bebost terrein is gelegen

Op het ogenblik van de aanvraag van de omgevingsvergunning tot ontbossing of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden moet de aanvrager een boscompensatievoorstel indienen. Dit gebeurt op het formulier ‘Boscompensatievoorstel bij de aanvraag van een omgevingsvergunning tot ontbossing of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden’ dat hij volledig ingevuld en ondertekend bij zijn aanvraag voegt. Daarop vermeldt hij de te ontbossen oppervlakte en de manier waarop de compensatie zal uitgevoerd worden. 

De vergunningverlenende overheid bezorgt het formulier samen met de adviesaanvraag over de ontbossing aan ANB. ANB heeft beslissingsbevoegdheid over het boscompensatievoorstel en beoordeelt de voorgestelde compensatie. Bovendien brengt ze advies uit met betrekking tot de ontbossing.

Als ANB oordeelt dat het compensatievoorstel moet aangepast worden, dan stelt ANB de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte. De aanvrager kan dan binnen de 14 dagen na ontvangst bezwaren tegen deze aanpassing of een alternatief compensatievoorstel aan het agentschap bezorgen. 

Als ANB het formulier met de beslissing over de compensatie niet binnen de dertig dagen heeft teruggestuurd naar de vergunningverlenende overheid, wordt dat beschouwd als een goedkeuring van het voorstel van de aanvrager.

Het goedgekeurde compensatieformulier maakt integraal deel uit van de omgevingsvergunning tot ontbossing of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen. De compensatiemaatregel en bijhorende voorwaarden moeten dan ook in de voorwaarden van de vergunning worden opgenomen. Het formulier wordt samen met de omgevingsvergunning tot ontbossing of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden naar de aanvrager verstuurd.

Als de aanvrager niet akkoord gaat met de goedgekeurde en eventueel aangepaste compensatiemaatregelen opgenomen in de voorwaarden van de vergunning, moet hij gebruik maken van de administratieve beroepsmogelijkheid waarin het decreet betreffende de ruimtelijke ordening voorziet. Het goedgekeurde compensatievoorstel kan niet gewijzigd worden los van de omgevingsvergunning tot ontbossing of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.

Vrijstelling compensatieplicht voor spontane bebossing
De compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan zijn bebost na de invoering van het Bosdecreet (1990), als die spontane bebossing jonger is dan 22 jaar. Gronden die al spontaan waren bebost vóór 1990 blijven wel aan de compensatieplicht onderworpen. Voor de ontbossing van spontane bebossingen blijft wel een omgevingsvergunning tot ontbossing vereist (behalve voor spontane bebossingen van private bossen in het agrarisch gebied). Ook moet ANB een advies formuleren over de ontbossing.

Vrijstelling compensatieplicht voor sociale redenen
Daarnaast wordt om sociale redenen een uitzondering toegestaan op de compensatieplicht met het oog op woningbouw. Die uitzondering geldt voor het ontbossen van de eerste 5 are op een kavel kleiner dan 12 are in zones met als bestemming woongebied in de ruime zin of daarmee gelijk te stellen gebied. De uitzondering kan maar eenmaal worden verkregen. Bovendien moet de aanvrager een natuurlijk persoon zijn, die op datum van de aanvraag nog over niet de volle eigendom van een woning beschikt.


Verkavelingen
De compensatieplicht voor de verkavelaar werd ingevoerd door een wijziging van het Bosdecreet en geldt voor alle verkavelingen aangevraagd na 23 maart 2001. 

De verkavelaar moet compensatie geven voor iedere beboste oppervlakte binnen de verkaveling, zowel de oppervlakte van de kavels als de oppervlakte waarop werkzaamheden door de verkavelaar moeten worden uitgevoerd (de aanleg van wegen, van ruimten van openbaar nut en dergelijke meer). De verkavelaar kan in zijn verkavelingsaanvraag wel de te behouden beboste groene ruimten aanduiden. Die mag hij in mindering brengen van de te compenseren oppervlakte. De verkavelaar duidt dus zelf aan wat ontbost kan worden en wat als bos behouden moet blijven.

De compensatieplicht wordt gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en bovendien kunnen de kavels alleen worden doorverkocht als de verkavelaar volledig voldaan heeft aan de opgelegde compensatievoorwaarden. Het behoud van deze groene ruimten wordt in de verkavelingsvoorschriften opgenomen. 

Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning tot ontbossing in die verkavelingen moet de gemeente niet opnieuw de vergunning tot ontbossing voorleggen voor advies aan ANB. Bovendien vervalt de compensatieplicht, omdat die al ten laste valt van de verkavelaar. Ontbossing in verkavelingen die vóór 23 maart 2001 zijn aangevraagd, moeten nog altijd worden gecompenseerd door de houder van de omgevingsvergunning tot ontbossing.

Ontbossing in verkavelingen van de ‘als bos te behouden groene ruimten’ is alleen mogelijk na een verkavelingswijziging en de bijhorende compensatie.
 

Wetgeving
De wettelijke bepalingen inzake ontbossing en de compensatie die daaruit moet volgen zijn in de eerste plaats te vinden in artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990. Nadere uitwerking van artikel 90bis van het decreet is vastgesteld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing.