Natuurstreefbeelden

Natuurstreefbeelden

In het definitief plan van type twee, drie of vier wordt het ecologisch einddoel vastgesteld aan de hand van natuurstreefbeelden.

Er zijn drie types natuurstreefbeelden:

A. Natuurstreefbeelden vegetaties

Natuurstreefbeelden voor vegetaties worden omschreven aan de hand van een tot doel gesteld natuurlijk vegetatietype.

De natuurstreefbeelden voor vegetaties worden opgesomd in de tabel onder deel A van bijlage 3 van het BVR Natuurbeheerplannen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • Europees te beschermen habitat: dit zijn vegetaties, die beschermd zijn als habitattype onder de habitatrichtlijn. Ze worden opgesomd in de bijlage I bij het Natuurdecreet. Op Ecopedia vind je een beschrijving van deze habitats, met korte aanwijzingen voor het beheer en mogelijke bedreigingen.
  • Regionaal belangrijk biotopen (RBB): het betreft ecologisch zeer waardevolle vegetaties, die op Vlaams niveau zeldzaam zijn, maar geen Europees te beschermen habitat zijn. De RBB worden vermeld in de bijlage 4 bij het BVR natuurbeheerplannen. Op Ecopedia vind je een kwalitatieve beschrijving van deze vegetaties onder de overeenkomstige BWK-code.
  • Andere vegetaties: dit zijn waardevolle vegetaties, die geen Europees habitat of RBB zijn. Op Ecopedia vind je een kwalitatieve beschrijving van deze vegetaties onder de overeenkomstige BWK-code.

Europees te beschermen habitat en RBB komen in natuurbeheerplannen type twee, drie en vier in aanmerking als natuurstreefbeeld. De ‘andere waardevolle vegetaties’ komen enkel voor de type twee natuurbeheerplannen in aanmerking als natuurstreefbeeld. In de lijst van natuurstreefbeelden met financiering vind je een overzicht van deze natuurstreefbeelden, met daarbij de aanduiding voor welk type natuurbeheerplan ze in aanmerking komen.

De vereisten voor de Europees te beschermen habitats staan in de overeenkomstige tabellen  voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding; terug te vinden in het volgende rapport van het INBO:

- Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura 2000-habitattypen, versie 2.0, T’Jollyn, F. et al., 2009, Rapport INBO.R.2009.46

B. Natuurstreefbeelden leefgebieden soorten

Een leefgebied van een soort omvat het geheel van habitats dat die soort nodig heeft tijdens een deel van of de gehele levenscyclus om te voorzien in haar behoefte inzake voeding, beschutting en voortplanting.

Een leefgebied van een soort komt in de volgende gevallen in aanmerking als natuurstreefbeeld:

  • Leefgebied van Europees te beschermen soorten, habitattypische soorten of soorten waarvoor een goedgekeurd soortenbeschermingsprogramma bestaat. Aanvullend op Europees te beschermen habitats en RBB komen andere vegetaties ( ook vegetaties die niet opgenomen zijn in bijlage 3 van het BVR Natuurbeheerplannen) en kleine landschapselementen (KLE’s) in aanmerking als natuurstreefbeeld als ze overeenstemmen met de ecologische vereisten van de betrokken soort.  Leefgebieden van deze soorten kunnen natuurstreefbeelden zijn voor beheerplannen type twee, drie en vier.
  • Leefgebied van beschermde soorten overeenkomstig het Soortenbesluit, die geen Europees te beschermen soort zijn. Bijlage 1, categorie 1 tot en met 3, van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 geeft een overzicht van alle soorten die in Vlaanderen beschermd zijn. De term ‘Europees te beschermen soort’ wordt gedefinieerd in art. 2, 63°, ND (“de soorten, opgenomen in bijlage II, III en IV bij dit decreet, en de trekvogels die geregeld voorkomen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en die niet in bijlage IV bij dit decreet worden vermeld”). Soorten die geen Europees te beschermen soort zijn, zijn de soorten die in die bijlage 1, categorie 1 tot en met 3, van het Soortenbesluit voorkomen, maar die niet onder de voormelde definitie horen. Leefgebied voor deze soorten kan enkel natuurstreefbeeld zijn voor beheerplannen type twee.

De vereisten van het leefgebied voor Europees te beschermen soorten staan in de overeenkomstige tabellen voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding, terug te vinden in volgende rapporten van het INBO:

Voor bepaalde soorten kan  ook beroep gedaan worden op goedgekeurde soortenbeschermingsprogramma’s.

Raadpleeg de kaart Potentiële leefgebieden van soorten om te weten of het zinvol is op jouw terrein als natuurstreefbeeld het leefgebied van een bepaalde soort voorop te stellen. Indien een terrein volgens die kaart potenties heeft als leefgebied voor een bepaalde soort, moet ook nog uit terreinwaarnemingen blijken of de soort effectief in de buurt aanwezig is en/of zich reëel kan vestigen op het terrein. Bij twijfel wordt hierover best overlegd met het ANB.

C. Natuurstreefbeelden procesgestuurde natuur

Bij procesgestuurde natuur beoogt men door het activeren van natuurlijke processen (water, wind, begrazing, successie,…) natuurstreefbeelden te realiseren.

Dit natuurstreefbeeld kan bestaan uit een combinatie van meerdere vegetaties of leefgebieden van soorten zoals vermeld onder A en B. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Mozaïeklandschappen: ontstaan door extensieve begrazing,
  • Onbeheerde climaxvegetaties: waarbij natuurlijke processen zoals getijdewerking, natuurlijke bosdynamiek,… een doel op zich zijn. De vegetaties zijn het resultaat van deze processen en kunnen veranderen in ruimte en tijd.
     

Aandachtspunten bij het kiezen van een natuurstreefbeeld

Bij de keuze van het natuurstreefbeeld moet de beheerder rekening houden met :

  • de lokale milieucondities (bodemtype, hydrologie, reeds aanwezig vegetatietype)
  • de verplichting in de regelgeving om het beheerplan af te stemmen op afspraken in het kader van Natura 2000. Zie hierover meer onder vereisten m.b.t. Natura 2000.
  • de regelgeving rond ontbossing  en boscompensatie als een open vegetatie als natuurstreefbeeld gekozen wordt, terwijl de nu aanwezige vegetatie bos is.

de bepaling in art 8. van het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014 dat de realisatie van Europese boshabitats niet mag leiden tot een betekenisvolle verslechtering of achteruitgang van vegetaties van regionaal belang. Concreet gaat het om de volgende vegetaties:

BWK-eenheid

Code

Omschrijving

hc rbbhc dotterbloemgrasland
hp*, hpr* rbbzil zilverschoongrasland
hp*, hpr* rbbkam kamgrasland
hf rbbhf moerasspirearuigte met graslandkenmerken
hf   natte ruigte met moerasspirea (geen rbbhf)
hj   vochtig, licht bemest grasland gedomineerd door russen
hm   onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland
hu   mesofiel hooiland
Mr, mru, mrb rbbmr rietland en andere Phragmition-vegetaties
mz rbbmr zeebriesvegetatie
mc rbbmc grote zeggenvegetaties
ms rbbms kleine zeggenvegetaties niet vervat in overgangsveen (type 7140)

Bij het natuurstreefbeeld bos worden open plekken in het bos eveneens meegerekend als bos. Ze worden ook als bos gefinancierd (beheersubsidie).Volgens de criteria voor geïntegreerd natuurbeheer moet de beheerder immers streven naar minstens 5% gevarieerde bosranden en open plekken.

Vegetaties op open plekken in bos komen enkel in aanmerking voor financiering als een natuurstreefbeeld, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Voorbeeld:

  • een open plek van 2,5 ha met heiderelicten kan niet gesubsidieerd worden als heide (4030 of 4010) omdat voor heide een minimale oppervlakte van 5 ha nodig is.
  • een open plek met halfnatuurlijk grasland over een oppervlakte van 1,.5 ha kan gesubsidieerd worden als heischraal grasland (6230).