Visserij

Gebruik van aasvissen

Onder aasvis wordt verstaan: elke vis of deel van een vis dat kan gebruikt worden als aas om andere vissen mee te vangen.

Een hengelaar mag maximaal 20 levende of dode aasvisjes kleiner dan 15 cm bezitten of vervoeren. Een hengelaar mag dus niet meer dan 20 aasvisjes kleiner dan 15 cm in het leefnet, in de aasemmer of in een ander opslagtuig bijhouden. Beschermde soorten, kleurvariëteiten van vissoorten, niet inheemse soorten of soorten waarvoor een minimale maat geldt, mogen niet als aasvisje gebruikt worden.

Alleen aasvisjes die behoren tot de karperachtigen (cyprinidae) mag je levend vervoeren.

  • Aanbevolen karperachtigen zijn: alver, blankvoorn, blei, brasem, rietvoorn, riviergrondel en winde.
  • Aanbevolen brakwatersoorten zijn haring, spiering en sprot.
  • Zeevissoorten zoals makreel en wijting mogen ook gebruikt worden als aas, ongeacht hun lengte.

Aasvissen groter dan 15 cm kunnen in de praktijk ook gebruikt worden, levend of dood. Levend als ze gevangen zijn ter plaatse (en in het leefnet worden behouden). Een visser mag ook maximaal vijf vissen groter dan 15 cm onttrekken en dood vervoeren.